Afscheid van Maria
Onbeweeglijk ligt Maria in het grote ziekenhuisbed. Haar huid is dun en breekbaar als de varkensblaas die ik eens in een museum zag. Naast het bed zitten haar broer en zus.
‘Het gaat niet goed,’ fluistert haar broer me toe.
Als ik me over haar buig opent ze even haar ogen. Als ik haar hand vastneem beweegt ze haar bovenlip. Het lijkt alsof ze me iets zeggen wil, maar er komt geen klank. Dan ligt ze weer zo onbeweeglijk als eerst.
‘Ze slaapt bijna de hele dag,’ vertelt haar zus, ‘En de weinige momenten waarop ze wakker is, staart ze maar voor zich uit.’
Twee verpleegsters stappen de kamer binnen. ‘Kunnen jullie even op de gang wachten? We moeten haar verzorgen.’
Op de gang pinkt haar zus een traan weg. ‘Ze praat niet meer. Zelfs als we iets vragen reageert ze niet.’
De verpleegsters vliegen ons voorbij. ‘Je mag weer binnen, hoor!’
Maria ligt nu nog onbeweeglijker dan daarnet.
Haar broer loopt op haar af en legt zijn hand op haar voorhoofd. ‘ ’t Is… voorbij,’ stamelt hij, ‘Helemaal… voorbij.’
Het dringt niet meteen tot me door wat hij bedoelt. Tot hij de verpleegsters terugroept en er even later ook een dokter de kamer binnenstormt…
‘Ze heeft op jou gewacht,’ zegt haar broer me wel tien keer, ‘Ze moest je nog zien. Je betekende zoveel voor haar.’
Ik draai wat in het rond. Ik voel me een indringer. De familie zou dit moment onder hen moeten kunnen beleven. Daarom zeg ik dat ze me mogen bellen als ik met iets kan helpen en verdwijn stilletjes.
Ik loop, zoals ik had gepland, de stad in. Maar een deel van mij blijft op de ziekenhuiskamer. Een deel van mij blijft bij Maria.
Maria, die zo'n twee jaar geleden voor het eerst het dagcentrum binnenstapte en in mijn groep terechtkwam. Die ondanks dat ze altijd thuis had gewoond enthousiast mee kookte en knutselde en zijden sjaals schilderde. Die altijd van een babbeltje hield. Die zo graag lachte en anderen fopte. Die het de max vond zich te verkleden. Maria die in de kortste keren ieders hart veroverde. Die veel te snel ziek werd, heel erg ziek. Die tussen de ziekenhuisperiodes door nog het dagcentrum bezocht en probeerde zoveel mogelijk aan alles deel te nemen. Die steeds sneller moe werd. Vaak terug naar het ziekenhuis moest. Die enkele weken geleden nog zo blij was omdat de Sint ook op haar ziekenhuiskamer langskwam. Maria die daarstraks nog even in mijn ogen keek. Die op me heeft gewacht…
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast
Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast.
Het leven wiebelt. Soms slingert het zacht heen en weer, zoals een kind op een schommel. Misschien geef je het dan, net als dat kind, vol vertrouwen een extra duwtje, en ga je almaar hoger. Maar het leven kan ook wankelen, een kant op waggelen die je helemaal niet uit wil. Of het kan danig schudden en schokken, zodat je grondvesten daveren.
Op al deze momenten zijn er woorden.
WiebelWoorden zoekt ze samen met je op.
Omdat woorden helpen herinneringen te bewaren en belevenissen te delen. Omdat woorden een houvast bieden. En omdat het bijzonder prettig is woorden aan papier toe te vertrouwen.
Op dit blog vind je vooral woorden terug die binnen in mij wiebelden. Die zich puzzelden tot een anekdote, verhaal of gedicht.
Wiebel tijdens het lezen gerust mee op hun ritme.
Posts tonen met het label ziekenhuis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ziekenhuis. Alle posts tonen
zondag 9 december 2012
zaterdag 10 november 2012
Vijfenveertig (15)
Het ongeluk
Als het nieuws van zeven uur begint op de radio klap ik mijn schoolboeken toe. Genoeg gestudeerd voor vandaag. Niet dat ik de hele dag achter mijn boeken heb gezeten. Vanmorgen ging ik turnen, daarna bereidde ik een heerlijke spaghetti voor mezelf en ik heb ook een paar uur met mijn vriendinnen aan de telefoon gehangen. Maar toch deed ik ook behoorlijk wat voor school.
Ik genoot ervan alleen thuis te zijn. Maar nu mogen mijn ouders wel stilletjes aan naar huis komen, vind ik. Zij reden vandaag een autorally. Mijn broer is met hen mee. Ik krijg honger en heb geen zin weer in mijn eentje aan tafel te zitten. Ik stop alvast een koek in mijn mond en nestel me nog even met een boek in de zetel.
Na een poos parkeert een wagen voor onze deur. Niet onze wagen. Een vreemde mijnheer en ons vader stappen uit. Een tel later staan ze in onze woonkamer.
‘We hebben een ongeluk gehad,’ zegt ons vader, ‘Onze auto is helemaal kapot. Ons moeder en L. liggen in Sint-Gillis-Waas in het ziekenhuis. Gelukkig is het niet al te erg.’
De betekenis van dat laatste dringt niet tot me door. Voor mij zijn ze op dat moment half dood. De grond onder mijn voeten wiebelt net als de plankendoorgang in het spookhuis op de kermis. Ik wil ons vader duizend en een dingen vragen, maar krijg niet zoveel over mijn lippen.
De vreemde mijnheer neemt afscheid. Ons vader en ik smeren ons elk een boterham. Terwijl we eten, vertelt ons vader hoe een andere wagen op hen is ingereden, hoe hun auto over kop ging en ons moeder door de voorruit is gevlogen. L. moet hierbij met zijn hoofd verschillende keren tegen het plafond zijn gebotst. Hij heeft een hersenschudding.
‘Ben jij dan niet gekwetst?’ vraag ik.
‘Ach,’ mijn nek doet wat pijn,’ zegt hij, ‘ Dat zal wel beteren. Ik had een houvast aan mijn stuur. Dat is mijn geluk geweest.’
Ik krijg de stukken brood haast niet doorgeslikt.
Even later is nonkel W. er. Hij voert ons naar het ziekenhuis. Daar cross ik de gangen door recht naar de kamer van L. Ons vader en nonkel W. kunnen me niet bijhouden.
L. moet een nachtje in het ziekenhuis blijven ter observatie. Morgen mag hij waarschijnlijk al naar huis. Als ik met mijn eigen ogen heb gezien dat hij er redelijk goed aan toe is, steven ik op de kamer van ons moeder af. Zij heeft meer pijn. Haar hele lijf zit vol glasscherven. Een van de volgende dagen opereren ze haar. Maar gelukkig is ook dit niets dodelijks.
Het bezoekuur is snel voorbij.
’ s Nachts hoor ik telkens weer wat ons vader me allemaal heeft verteld. Ik zie het ongeluk in mijn verbeelding gebeuren. Ook de film van het ziekenhuis speelt zich steeds opnieuw af. Ik val pas heel laat in slaap.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Als het nieuws van zeven uur begint op de radio klap ik mijn schoolboeken toe. Genoeg gestudeerd voor vandaag. Niet dat ik de hele dag achter mijn boeken heb gezeten. Vanmorgen ging ik turnen, daarna bereidde ik een heerlijke spaghetti voor mezelf en ik heb ook een paar uur met mijn vriendinnen aan de telefoon gehangen. Maar toch deed ik ook behoorlijk wat voor school.
Ik genoot ervan alleen thuis te zijn. Maar nu mogen mijn ouders wel stilletjes aan naar huis komen, vind ik. Zij reden vandaag een autorally. Mijn broer is met hen mee. Ik krijg honger en heb geen zin weer in mijn eentje aan tafel te zitten. Ik stop alvast een koek in mijn mond en nestel me nog even met een boek in de zetel.
Na een poos parkeert een wagen voor onze deur. Niet onze wagen. Een vreemde mijnheer en ons vader stappen uit. Een tel later staan ze in onze woonkamer.
‘We hebben een ongeluk gehad,’ zegt ons vader, ‘Onze auto is helemaal kapot. Ons moeder en L. liggen in Sint-Gillis-Waas in het ziekenhuis. Gelukkig is het niet al te erg.’
De betekenis van dat laatste dringt niet tot me door. Voor mij zijn ze op dat moment half dood. De grond onder mijn voeten wiebelt net als de plankendoorgang in het spookhuis op de kermis. Ik wil ons vader duizend en een dingen vragen, maar krijg niet zoveel over mijn lippen.
De vreemde mijnheer neemt afscheid. Ons vader en ik smeren ons elk een boterham. Terwijl we eten, vertelt ons vader hoe een andere wagen op hen is ingereden, hoe hun auto over kop ging en ons moeder door de voorruit is gevlogen. L. moet hierbij met zijn hoofd verschillende keren tegen het plafond zijn gebotst. Hij heeft een hersenschudding.
‘Ben jij dan niet gekwetst?’ vraag ik.
‘Ach,’ mijn nek doet wat pijn,’ zegt hij, ‘ Dat zal wel beteren. Ik had een houvast aan mijn stuur. Dat is mijn geluk geweest.’
Ik krijg de stukken brood haast niet doorgeslikt.
Even later is nonkel W. er. Hij voert ons naar het ziekenhuis. Daar cross ik de gangen door recht naar de kamer van L. Ons vader en nonkel W. kunnen me niet bijhouden.
L. moet een nachtje in het ziekenhuis blijven ter observatie. Morgen mag hij waarschijnlijk al naar huis. Als ik met mijn eigen ogen heb gezien dat hij er redelijk goed aan toe is, steven ik op de kamer van ons moeder af. Zij heeft meer pijn. Haar hele lijf zit vol glasscherven. Een van de volgende dagen opereren ze haar. Maar gelukkig is ook dit niets dodelijks.
Het bezoekuur is snel voorbij.
’ s Nachts hoor ik telkens weer wat ons vader me allemaal heeft verteld. Ik zie het ongeluk in mijn verbeelding gebeuren. Ook de film van het ziekenhuis speelt zich steeds opnieuw af. Ik val pas heel laat in slaap.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
donderdag 1 november 2012
Vijfenveertig (6)
Madammeke
‘Madammeke…’ bromt een stem in de nacht.
Ben ik aan het dromen? Dat denk ik niet. Maar ik lig wel niet in mijn eigen gele bed. Zelfs niet op de grote kamer waar ik normaal samen met mijn broer en ons moeke en vake slaap. Het is hier anders donker dan thuis. Ons moeke is wel in de buurt. Ik hoor haar wriemelen op een zetel vlak naast me.
De stem bromt opnieuw: ‘Madammeke…’ Ze klinkt als van een heks.
Ik krimp ineen. Ons moeke staat op en gaat naar de stem toe. Ik wil haar tegenhouden. Mijn arm slaat daarbij tegen het koude bed. Mijn andere arm kan ik niet bewegen. Er zit een soort zwemband rond. Hoe komt dat nou?
Plots weet ik het weer. Toen ons vake thuiskwam van zijn werk vond hij me huilend onder de schommel in de tuin. Ik was er af gevallen. Mijn arm deed ontzettend veel pijn. Samen met nonkel Walter voerde hij me naar het ziekenhuis. Daar namen ze foto’s van mijn arm. Mijn pols was gebroken. De dokter moest mij opereren zodat de botten in mijn arm weer mooi aan elkaar zouden groeien. Maar hij was al naar huis. Daarom deden ze die rare zwemband errond. Hij zorgt ervoor dat ik de pijn niet meer zo hard voel. Vannacht moet ik hier blijven slapen en morgen krijg ik een gips. Gelukkig slaapt ons moeke ook hier.
Ze roept een verpleegster voor de stem. Maar de verpleegster zegt: ‘Laat haar maar zeuren. Wij kunnen niet elk uur van de nacht bij haar zijn. Seffens valt ze wel in slaap.’
Maar de stem valt niet in slaap. Ze bromt de hele nacht. ‘Madammeke… Madammeke…’
Ons moeke draait en keert en zucht op de zetel. Ik kijk naar de streep licht die door de kier van de deur schijnt. Ik heb dorst, maar mag niets meer drinken. Het is een lange nacht. Misschien de langste van mijn leven.
De volgende morgen zie ik dat bij de bromstem een dikke brommadam hoort. Ze heeft grijze haren en rimpels en pukkels zoals een echte heks.
Wat later rijden de verpleegsters mijn bed naar een kille, groene zaal. Ons moeke mag niet mee. Dat vind ik eng. De verpleegsters zijn wel lief, maar de dokter in de zaal kijkt streng. Hij drukt een zwart masker over mijn mond en neus. Uit dat masker komt een vies goedje. Ik probeer het niet in te ademen, maar dat lukt me niet. Ik stik…
Niet zoveel later word ik wakker met een gips rond mijn arm. De verpleegsters rijden me weer naar de kamer waar ons moeke op me wacht. Ons vake is er nu ook. Hij heeft een grote zak met koffiekoeken bij. Die zijn voor ons moeke, want zij heeft nog niet kunnen ontbijten. Zeker niet voor mij, want na die verdoving is dat niet goed. Maar ik kreeg ook geen ontbijt. Ik brom een beetje zoals de stem en even later smul ik toch van de zoete koeken.
De dokter komt nog eens langs en dan mag ik naar huis. Fier op mijn gips stap ik de ziekenhuiskamer uit.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
‘Madammeke…’ bromt een stem in de nacht.
Ben ik aan het dromen? Dat denk ik niet. Maar ik lig wel niet in mijn eigen gele bed. Zelfs niet op de grote kamer waar ik normaal samen met mijn broer en ons moeke en vake slaap. Het is hier anders donker dan thuis. Ons moeke is wel in de buurt. Ik hoor haar wriemelen op een zetel vlak naast me.
De stem bromt opnieuw: ‘Madammeke…’ Ze klinkt als van een heks.
Ik krimp ineen. Ons moeke staat op en gaat naar de stem toe. Ik wil haar tegenhouden. Mijn arm slaat daarbij tegen het koude bed. Mijn andere arm kan ik niet bewegen. Er zit een soort zwemband rond. Hoe komt dat nou?
Plots weet ik het weer. Toen ons vake thuiskwam van zijn werk vond hij me huilend onder de schommel in de tuin. Ik was er af gevallen. Mijn arm deed ontzettend veel pijn. Samen met nonkel Walter voerde hij me naar het ziekenhuis. Daar namen ze foto’s van mijn arm. Mijn pols was gebroken. De dokter moest mij opereren zodat de botten in mijn arm weer mooi aan elkaar zouden groeien. Maar hij was al naar huis. Daarom deden ze die rare zwemband errond. Hij zorgt ervoor dat ik de pijn niet meer zo hard voel. Vannacht moet ik hier blijven slapen en morgen krijg ik een gips. Gelukkig slaapt ons moeke ook hier.
Ze roept een verpleegster voor de stem. Maar de verpleegster zegt: ‘Laat haar maar zeuren. Wij kunnen niet elk uur van de nacht bij haar zijn. Seffens valt ze wel in slaap.’
Maar de stem valt niet in slaap. Ze bromt de hele nacht. ‘Madammeke… Madammeke…’
Ons moeke draait en keert en zucht op de zetel. Ik kijk naar de streep licht die door de kier van de deur schijnt. Ik heb dorst, maar mag niets meer drinken. Het is een lange nacht. Misschien de langste van mijn leven.
De volgende morgen zie ik dat bij de bromstem een dikke brommadam hoort. Ze heeft grijze haren en rimpels en pukkels zoals een echte heks.
Wat later rijden de verpleegsters mijn bed naar een kille, groene zaal. Ons moeke mag niet mee. Dat vind ik eng. De verpleegsters zijn wel lief, maar de dokter in de zaal kijkt streng. Hij drukt een zwart masker over mijn mond en neus. Uit dat masker komt een vies goedje. Ik probeer het niet in te ademen, maar dat lukt me niet. Ik stik…
Niet zoveel later word ik wakker met een gips rond mijn arm. De verpleegsters rijden me weer naar de kamer waar ons moeke op me wacht. Ons vake is er nu ook. Hij heeft een grote zak met koffiekoeken bij. Die zijn voor ons moeke, want zij heeft nog niet kunnen ontbijten. Zeker niet voor mij, want na die verdoving is dat niet goed. Maar ik kreeg ook geen ontbijt. Ik brom een beetje zoals de stem en even later smul ik toch van de zoete koeken.
De dokter komt nog eens langs en dan mag ik naar huis. Fier op mijn gips stap ik de ziekenhuiskamer uit.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Abonneren op:
Posts (Atom)