Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast


Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast.

Het leven wiebelt. Soms slingert het zacht heen en weer, zoals een kind op een schommel. Misschien geef je het dan, net als dat kind, vol vertrouwen een extra duwtje, en ga je almaar hoger. Maar het leven kan ook wankelen, een kant op waggelen die je helemaal niet uit wil. Of het kan danig schudden en schokken, zodat je grondvesten daveren.
Op al deze momenten zijn er woorden.
WiebelWoorden zoekt ze samen met je op.
Omdat woorden helpen herinneringen te bewaren en belevenissen te delen. Omdat woorden een houvast bieden. En omdat het bijzonder prettig is woorden aan papier toe te vertrouwen.

Op dit blog vind je vooral woorden terug die binnen in mij wiebelden. Die zich puzzelden tot een anekdote, verhaal of gedicht.
Wiebel tijdens het lezen gerust mee op hun ritme.

zaterdag 3 november 2012

Vijfenveertig (8)

Mijn eerste lief

Verliefd was ik op zijn witte haren én op het feit dat hij het zoontje van mijn kleuterjuf was. Zo'n vriendje was natuurlijk goed voor mijn sociale status. Daarenboven was ook ons moeke juf in onze school. Het was slechts een kleine school en zij gaf les aan alle kinderen van het eerste tot en met het zesde leerjaar. Met die sociale status zat het dus meer dan goed.
In die jaren begonnen verjaardagsfeestjes pas op te komen. Niet van die feesten waarop alle kinderen van de klas werden uitgenodigd. Meestal mocht je slechts een paar vriendjes vragen.
Wim gaf zo'n feestje. Omdat ik toevallig het dochtertje van de andere juf was, was ik erbij. Verder waren er alleen neven en nichten uitgenodigd. Allemaal kinderen die ik niet kende.
Ik had geen zin mijn grote liefde met deze vreemden te delen. Hoe ik het heb aangebracht weet ik niet meer, maar ik kreeg het in elk geval voor elkaar dat we iedereen achterlieten en onder ons tweetjes naar boven trokken. In de intimiteit van de slaapkamer hebben we verder gefeest.
De anderen zochten en riepen ons lange tijd. Maar wij deden alsof we hen niet hoorden. Pas toen het huis naar pannenkoeken rook zijn we weer naar beneden gegaan.


Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

vrijdag 2 november 2012

Vijfenveertig (7)

Examenweer

'Het wil weer lukken,' zuchtten mijn vriendinnen, 'Net nu we examens hebben is het schitterend weer.'
Ik liet hen maar zeggen. Zelf vond ik het wel goed zo.
Als ik 's middags uit school kwam lunchte ik gezellig op ons tuinterras. Daarna trok ik mijn bikini aan en nestelde me met mijn cursussen in een ligzetel op het gazon.
Vaak viel ik zo blokkend in de zon in slaap. Als ik dan tegen de avond aan wakker werd, en nog ettelijke bladzijden moest studeren, sloeg ik niet in paniek. Ik stak gewoon 's nachts een tandje bij.
Als de examenperiode erop zat liep ik natuurlijk wel met serieuze wallen onder mijn ogen rond, maar ook met een mooi bruin kleurtje.


Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

donderdag 1 november 2012

Vijfenveertig (6)

Madammeke

‘Madammeke…’ bromt een stem in de nacht.
Ben ik aan het dromen? Dat denk ik niet. Maar ik lig wel niet in mijn eigen gele bed. Zelfs niet op de grote kamer waar ik normaal samen met mijn broer en ons moeke en vake slaap. Het is hier anders donker dan thuis. Ons moeke is wel in de buurt. Ik hoor haar wriemelen op een zetel vlak naast me.
De stem bromt opnieuw: ‘Madammeke…’ Ze klinkt als van een heks.
Ik krimp ineen. Ons moeke staat op en gaat naar de stem toe. Ik wil haar tegenhouden. Mijn arm slaat daarbij tegen het koude bed. Mijn andere arm kan ik niet bewegen. Er zit een soort zwemband rond. Hoe komt dat nou?
Plots weet ik het weer. Toen ons vake thuiskwam van zijn werk vond hij me huilend onder de schommel in de tuin. Ik was er af gevallen. Mijn arm deed ontzettend veel pijn. Samen met nonkel Walter voerde hij me naar het ziekenhuis. Daar namen ze foto’s van mijn arm. Mijn pols was gebroken. De dokter moest mij opereren zodat de botten in mijn arm weer mooi aan elkaar zouden groeien. Maar hij was al naar huis. Daarom deden ze die rare zwemband errond. Hij zorgt ervoor dat ik de pijn niet meer zo hard voel. Vannacht moet ik hier blijven slapen en morgen krijg ik een gips. Gelukkig slaapt ons moeke ook hier.
Ze roept een verpleegster voor de stem. Maar de verpleegster zegt: ‘Laat haar maar zeuren. Wij kunnen niet elk uur van de nacht bij haar zijn. Seffens valt ze wel in slaap.’
Maar de stem valt niet in slaap. Ze bromt de hele nacht. ‘Madammeke… Madammeke…’
Ons moeke draait en keert en zucht op de zetel. Ik kijk naar de streep licht die door de kier van de deur schijnt. Ik heb dorst, maar mag niets meer drinken. Het is een lange nacht. Misschien de langste van mijn leven.
De volgende morgen zie ik dat bij de bromstem een dikke brommadam hoort. Ze heeft grijze haren en rimpels en pukkels zoals een echte heks.
Wat later rijden de verpleegsters mijn bed naar een kille, groene zaal. Ons moeke mag niet mee. Dat vind ik eng. De verpleegsters zijn wel lief, maar de dokter in de zaal kijkt streng. Hij drukt een zwart masker over mijn mond en neus. Uit dat masker komt een vies goedje. Ik probeer het niet in te ademen, maar dat lukt me niet. Ik stik…
Niet zoveel later word ik wakker met een gips rond mijn arm. De verpleegsters rijden me weer naar de kamer waar ons moeke op me wacht. Ons vake is er nu ook. Hij heeft een grote zak met koffiekoeken bij. Die zijn voor ons moeke, want zij heeft nog niet kunnen ontbijten. Zeker niet voor mij, want na die verdoving is dat niet goed. Maar ik kreeg ook geen ontbijt. Ik brom een beetje zoals de stem en even later smul ik toch van de zoete koeken.
De dokter komt nog eens langs en dan mag ik naar huis. Fier op mijn gips stap ik de ziekenhuiskamer uit.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

woensdag 31 oktober 2012

Vijfenveertig (5)

Naar het kerkhof

Zodra ik met meter van de bus stap merk ik dat het anders zo grijze plein voor het kerkhof geel, wit, paars is geworden. Mensen lopen af en aan tussen deze bloemenkleuren als reuzenmieren in een reuzenmierennest. Verkopers staan achter de chrysantenrijen en roepen dat je de mooiste bloemen bij hen vindt. Sommige wiebelen van hun ene been op hun andere en steken hun handen diep in de zakken van hun anorak. Als ze praten, kringelt de adem uit hun mond. Andere schenken zichzelf, met dikke handschoenen aan, een beker warme koffie uit een thermos in.
Terwijl meter de chrysantenplanten overal met een inspecteursblik bekijkt, hoor ik plots iemand mijn naam roepen. Het is mijn klasgenootje, Martine. Haar ouders kweken chrysanten en ze helpt hen met de verkoop.
Natuurlijk hoop ik dat meter bij Martine zal kopen, maar ze stapt naar de bloemist die haar ook de vorige jaren een pot heeft verkocht. Daar kiest ze een gele plant uit. Zodra ze heeft betaald roept de mevrouw iemand die de chrysant voor ons naar het graf zal dragen. Het is een magere jongen, die wat gebogen loopt, met haren die over zijn ogen vallen. Hij lijkt in niets op de stoere jongens die je hier overal ziet, en die soms wel vijf bloempotten tegelijk dragen. Hij loopt snel. Ik volg hem met gemak, maar meter waggelt een heel eind achter ons aan. Op elk kruispunt moeten we op haar wachten, want alleen zij weet welke kant we op moeten. Dan lachen we verlegen naar elkaar. Iets zeggen durven we niet.
Bij het graf van ‘pijt’ en peter Louis haalt de jongen een hark en een schop te voorschijn. Daarmee plant hij de bloemen. Terwijl ik hem vanuit mijn ooghoeken in het oog houd, draai ik mijn gezicht ook lekker een beetje naar de zon. Het tikje warmte dat ze geeft doet deugd. Maar mijn neus lekt wel. En ook mijn oren doen pijn. Als de chrysanten voor het graf in de grond staan dankt meter de jongen met een groot biljet. Dan lacht hij een laatste keer naar me en gaat ervan door. Meter trekt nog wat onkruid uit de aarde en zet de plant een beetje rechter. Ondertussen vertelt ze me dat peter Louis nog in de oorlog heeft gevochten en dat ‘ pijt’ ondertussen met de kinderen op de vlucht moest. Als meter klaar is, wandelen we nog naar andere graven van mensen die ze heeft gekend. Onderweg komen we Martine weer tegen en slaan een praatje met haar. Ondertussen ril ik over mijn hele lijf. Voor we weer naar huis rijden, warmen we ons in een café vlak aan de bushalte op met een warme chocomelk. Heerlijk!


Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

dinsdag 30 oktober 2012

Vijfenveertig (4)

Een lange jurk

Op het einde van het schooljaar ging onze juf, juffrouw Van Bosstraeten, op pensioen. In het grootste geheim planden we met de hele school een feest voor haar. Wij van het vierde leerjaar, haar allerlaatste klas, kregen daarbij een prominente rol. Diane las een gedicht voor. Wendy en Ann voerden een sketch op. En met de hele klas dansten we de vlegerd, een volksdans. Wekenlang hadden we daarvoor geoefend tijdens de turnles. Omdat onze turnmeester wilde dat het er allemaal heel chique uitzag, had hij ons gevraagd die dag een lange jurk aan te trekken. Maar ik had helemaal geen lange jurk.
Dat durfde ik niet zomaar toegeven. Ik was bang dat iedereen me zou uitlachen als ik de dag van het feest als enige zonder lange jurk zou verschijnen. Want wie had nu geen lange jurk?
Ik had wel een lang nachtkleed, een rood met groene en blauwe figuurtjes en een lint dat in mijn taille moest worden geknoopt. Een heel mooi nachtkleed trouwens. Zou dat voor lange jurk kunnen doorgaan?
De dag van het pensioneringsfeest smokkelde ik dit slaapkleed mee naar school. Om alle verdenking uit te sluiten vertelde ik mijn klasgenoten op welke feesten ik het allemaal had gedragen, huwelijken van neven en nichten die in werkelijkheid slechts een paar jaar ouder waren dan ikzelf, tuinfeesten bij niet bestaande vrienden van mijn ouders,...
Speciaal voor juffrouw Van Bosstraeten, nota bene mijn lievelingsjuf, en voor het oog van de hele school danste ik die dag in mijn nachtkleed.
Niemand heeft me uitgelachen, toch niet in mijn gezicht, maar het kan niet anders of de juffen en de turnmeester hebben dat wel in hun vuistje gedaan.


Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

maandag 29 oktober 2012

Vijfenveertig (3)

Zijn eerste lief

Zoals elke zaterdag na het markten zitten we met ons vieren aan een tafeltje in vakes stamcafé. Ons vake drinkt een pint, ons moeke een koffie en mijn broer en ik knabbelen allebei op paprika chips. We krabbelen alle bierviltjes die we vinden vol met stomme woorden, nog stommere tekeningen en voorname handtekeningen. Mijn broer bouwt een huis met de bierviltjes, maar dat valt meteen om. Ik scheur de kaarten in zo klein mogelijke stukjes. Al snel vervelen we ons.
'Mag ik op de flipperkast?' vraagt mijn broer dan.
'En krijg ik vijf frank voor de jukebox?' waag ik mijn kans.
We zeuren zo lang tot ons vake zijn portefeuille uit zijn jaszak neemt en ons elk een muntstuk toesteekt.
Terwijl hij dit doet valt er een zwartwit foto op de tafel. Erop staat een heel jong, slank meisje met felle ogen en lange donkere haren.
Snel grist ons vake de foto weg. 'Dat is mijn eerste lief,' lacht hij geheimzinnig.
Ik ben verbouwereerd. Hoe durft hij zomaar met een foto van zijn eerste lief op zak rondlopen? En hoe durft hij ons dat gewoon vertellen, zelfs terwijl ons moeke erbij zit?
De chips die me daarnet nog zo goed smaakte, ligt plots zwaar op mijn maag. En hoewel ik het probeer te verbergen vertelt mijn gezicht toch hoe ik hierover denk. Als ons vake dat merkt lacht hij nog harder.
Het meisje op de foto is immers ons moeke.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

zondag 28 oktober 2012

Vijfenveertig (2)

In het Volkswagenbusje

Voor het eerst neem ik deel aan een turnwedstrijd. Ons vake brengt me naar de turnzaal. Van daar rijden we met het Volkswagenbusje van de Luc, onze trainer, naar Hofstade waar de wedstrijd zal plaatsvinden.
In het busje zitten we dicht op elkaar gepakt. Ik zit tussen Ilse en Tania op de schoot van Bieke, Christel zit op de mijne. Ik word haast verpletterd. Ook de anderen zitten dicht naast en op elkaar. Zelfs op de grond tussen de banken zitten jongens en meisjes. In het totaal zijn we met wel dertig kinderen.
Ook voor mijn vriendinnen is het hun eerste wedstrijd. We zijn allemaal heel zenuwachtig en daardoor is het nogal stil op de bus.
's Avonds stapelen we onszelf weer op en tussen de banken om terug naar de turnzaal te rijden. De spanning is geweken en dat hoor je aan ons uitbundig gekwetter. Na een poos beginnen we te zingen van 'Al die willen te kapren varen', 'k Heb de zon zien zakken in de zee' en 'Een Nederlandse Amerikaan'.
Dit laatste lied doen we met bewegingen en al: 'Van voor naar achter, van links naar rechts, van boven naar onder, van links naar rechts,...'
Wat hebben we een lol, tot het busje vervaarlijk mee wiebelt en de Luc zijn stem verheft.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.