Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast


Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast.

Het leven wiebelt. Soms slingert het zacht heen en weer, zoals een kind op een schommel. Misschien geef je het dan, net als dat kind, vol vertrouwen een extra duwtje, en ga je almaar hoger. Maar het leven kan ook wankelen, een kant op waggelen die je helemaal niet uit wil. Of het kan danig schudden en schokken, zodat je grondvesten daveren.
Op al deze momenten zijn er woorden.
WiebelWoorden zoekt ze samen met je op.
Omdat woorden helpen herinneringen te bewaren en belevenissen te delen. Omdat woorden een houvast bieden. En omdat het bijzonder prettig is woorden aan papier toe te vertrouwen.

Op dit blog vind je vooral woorden terug die binnen in mij wiebelden. Die zich puzzelden tot een anekdote, verhaal of gedicht.
Wiebel tijdens het lezen gerust mee op hun ritme.
Posts tonen met het label afscheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label afscheid. Alle posts tonen

zondag 28 juli 2013

Gedicht


Dag poes

Nog één zoen
en ik leg je
in de kuil
die ik met papa
spitte in de tuin

Nog één aai
en ik schep natte
aarde in je graf
versier het met de bloem
die mama me gaf

Dag allerliefste poes

dinsdag 7 mei 2013

In de tuin werken

Enkele huizen verderop is een vrouw van achteraan in de tachtig gestorven. Ik kende haar niet zo goed, want ze was al jaren ziek en kwam haast nooit meer buiten.
Haar man ken ik wel. Hij is klein, krom, stokoud. Maar hij rijdt wel nog dagelijks met zijn fiets naar de winkel. En hij werkt ook regelmatig in zijn voortuin. Dat doet hij trager dan traag. Met elke voorbijganger probeert hij een praatje te maken. Zo kan hij even op adem komen.
Nu zijn vrouw er niet meer is, zie ik hem nog vaker in zijn tuin. Hij hakt onkruid dat nog bijna onzichtbaar is en maait gras dat eigenlijk niet is gegroeid. Hij is nog kleiner, krommer, stokouder.

zondag 10 maart 2013

De wijde wereld

Toen de tuin vanmorgen weer even wit zag, zweefden mijn gedachten naar dit moment:

Behoedzaam zette hij een poot op het sneeuwtapijt om hem vliegensvlug terug te trekken en rechtsomkeert te maken. Tot hij het, nadat ik de achterdeur nog verscheidene keren voor hem had geopend, eindelijk aandurfde de witte wereld in te stappen. Traag deed hij dat, poot per poot, voorzichtig, alsof een reusachtig monster vanonder de witte deken tevoorschijn zou kunnen springen om hem zomaar te verslinden.
Het enige echter dat in zijn buurt rondsprong, van tak naar tak in de hibiscus, was een roodborstje.
Pas toen hij dat in de gaten kreeg, vergat hij het gevaar en huppelde enthousiast naar het beestje toe en even later ook de wijde wereld in.

Toen het een dikke maand geleden even lente leek, ging hij opnieuw op pad. Trok hij opnieuw de wijde wereld in. Zonder angst nu.
We hebben hem niet meer teruggezien.

zondag 17 februari 2013

De jongen van tien

Hij springt, huppelt, draait en danst door de straten. Als een kleuter. Hij tatert volop. Over Prosap. En Facebook. En een Twitter-account. Als een puber.
Tussenin woont hij. De jongen van tien. Die triest is en zijn kat mist. De derde op een dik jaar tijd.
Hij moet een nieuwe bril kiezen. Zijn vorige is stukgegaan tijdens het schermen. Natuurlijk staat geen enkele hem zo goed als zijn oude exemplaar. De rode past niet bij zijn humeur en de zwarte is te saai. Die met de grote glazen legt te veel nadruk op zijn blik. Dat hoeft niet. Zeker nu niet.
Hij springt, huppelt, draait en danst niet meer. Ook het getater valt stil.
Waar woont hij nu?

maandag 21 januari 2013

Bright Eyes

Omdat je negenentwintig jaar geleden op de tonen van Garfunkels 'Bright Eyes' samen met je man de dans opende, zou dit lied je urne naar het altaar begeleiden, maar na een lange stilte weerklinkt alleen gekraak uit de luidsprekers. Achter me schuifelen voeten. De dame met haar vilten hoedje voor me zucht. Het koor zet dan maar een 'Kyrie Eleison' in. Dat kraakt nog harder. De kale mijnheer naast me kijkt me nee-schuddend aan. Ik voel hoe de boosheid die in hem pruttelt, om jouw veel te vroege, plotse dood, nu bijna overkookt. Even later galmt Garfunkels stem toch door de kerk.Voor je familie ben ik blij dat het nog is gelukt, want zij hebben de muziek voor deze afscheidsviering met zoveel zorg uitgekozen. Maar weet je, D., wel of geen 'Bright Eyes', eigenlijk doet het er niet toe. Jouw ogen schitteren toch...

zaterdag 22 december 2012

Nieuw op mijn boekenplank

Hond bijt wolf / Sylvia Vanden Heede en Marije Tolman: het zit Hond niet mee. Hij heeft een bot, maar Wolf wil het ook. Bovendien haalt zijn baas Pup in huis. Daar is hij allesbehalve blij mee. Maar dan krijgt hij een idee. Als Wolf op Pup past, geeft hij hem een bot in ruil. En zo gebeurt het. Tot Hond wroeging krijgt… In dit derde boek in de reeks over Wolf en Hond puzzelt Vanden Heede de korte woorden die onze taal rijk is tot eenvoudige zinnen, en knutselt ze deze zinnen tot een amusant, soms grappig en boeiend verhaal voor beginnende lezers (AVI start tot M3). De expressieve, kleurrijke en vrolijke illustraties van Tolman zorgen ervoor dat deze lezers tussen het smullen van de woorden door regelmatig even tot rust kunnen komen.
Voor kinderen vanaf 7 jaar.
***

Papa, hoor je me? / Tamara Bos en Annemarie van Haeringen: Polles papa is pas overleden. Op zijn eenvoudige, kinderlijke manier haalt Polle herinneringen op aan de periode toen zijn papa ziek was en vertelt hij wat er gebeurt tot aan de crematie. Hij is hierbij zo eerlijk het ook over de dingen te hebben die hij niet leuk vond aan zijn papa. Dit maakt het verhaal meteen levensecht en herkenbaar. Bos brengt het verdriet van het kind bijzonder fijngevoelig onder woorden, zonder ook maar ergens te vervallen in volwassen sentiment. Ze gebruikt hierbij een verbazend lichte en luchtige taal. Ze vergelijkt de ziekte van Polles papa met een eindeloos stratego. Deze metafoor trekt van Haeringen knap door in de illustraties. Ze laat rode en blauwe stratego-mannetjes met elkaar vechten, waarbij de blauwen verliezen en hun stratego-vriend ten grave dragen. Door de soberheid en oprechtheid raakt dit boek je diep. Het kan een gesprek openen met wie ook iemand heeft verloren. Een aanrader!
Voor kinderen vanaf 8 jaar.
****

De reus van de zomerflat / Stefan Boonen en Tom Schoonooghe: in de zomerflat waar Albert Lofloos woont, gebeurt nooit wat tot er deze zomer plots heel veel gebeurt. Boonen weeft twee verhalen door elkaar: het fantasierijke over de ontmoeting met reus, Pjiep, en het realistische over hoe de bewoners zomaar uit hun flat worden gezet. Hij snijdt hierbij heel wat thema’s aan als armoede, verwaarlozing, vriendschap, eenzaamheid, de gevolgen van de opwarming van de aarde,… Dit gebeurt erg suggestief waardoor jonge lezers ze waarschijnlijk niet allemaal vatten. De spanning in het verhaal krijgen ze sowieso wel mee. De reus spreekt een originele eigen taal wat vaak voor droge, grappige dialogen zorgt. De sobere en eigenzinnige illustraties van Schoonooghe vormen een mooie aanvulling bij de tekst. Een zomers verhaal dat ook in de winter kan worden gesmaakt.
Voor kinderen vanaf 10 jaar.
***

Help me herinneren / Bernlef: herinneringen lopen als rode draad doorheen het oeuvre van Bernlef en met deze negentien verhalen over herinneren en vergeten meteen ook doorheen zijn allerlaatste boek (Bernlef overleed op 29/10/2012). In het titelverhaal krijgt een Italiaanse ober in New York brieven van zijn analfabete moeder. Ze dicteert de brieven aan een dorpsgenote, maar ook als er iets gebeurt waardoor de moeder niet meer kan praten, blijft de ober brieven vol herinneringen ontvangen. Andere vertellen o.a. over een jazzpianist die van de aardbodem verdwijnt, een jongeman die verliefd wordt op de geur van zijn werkster die hij nog nooit in levende lijve heeft gezien, een man die tijdens een reünie uitkijkt naar een verloren geliefde die helaas lang geleden blijkt omgekomen te zijn bij een verkeersongeluk,… De verhalen kenmerken zich doordat ze het vooral van de sfeer moeten hebben. De hoofdpersonages spreken vaak met dezelfde stem. Is dit de auteur die we tussen de regels horen? Zeker bij het verhaal ‘Na mijn begrafenis’, waarin een zekere Henk, die wel erg veel op Bernlef lijkt, zich in het hiernamaals afvraagt of herinneringen betrouwbaar zijn, blijft deze vraag nazinderen.
Voor volwassenen
***

zondag 9 december 2012

Vijfenveertig (44)

Afscheid van Maria

Onbeweeglijk ligt Maria in het grote ziekenhuisbed. Haar huid is dun en breekbaar als de varkensblaas die ik eens in een museum zag. Naast het bed zitten haar broer en zus.
‘Het gaat niet goed,’ fluistert haar broer me toe.
Als ik me over haar buig opent ze even haar ogen. Als ik haar hand vastneem beweegt ze haar bovenlip. Het lijkt alsof ze me iets zeggen wil, maar er komt geen klank. Dan ligt ze weer zo onbeweeglijk als eerst.
‘Ze slaapt bijna de hele dag,’ vertelt haar zus, ‘En de weinige momenten waarop ze wakker is, staart ze maar voor zich uit.’
Twee verpleegsters stappen de kamer binnen. ‘Kunnen jullie even op de gang wachten? We moeten haar verzorgen.’
Op de gang pinkt haar zus een traan weg. ‘Ze praat niet meer. Zelfs als we iets vragen reageert ze niet.’
De verpleegsters vliegen ons voorbij. ‘Je mag weer binnen, hoor!’
Maria ligt nu nog onbeweeglijker dan daarnet.
Haar broer loopt op haar af en legt zijn hand op haar voorhoofd. ‘ ’t Is… voorbij,’ stamelt hij, ‘Helemaal… voorbij.’
Het dringt niet meteen tot me door wat hij bedoelt. Tot hij de verpleegsters terugroept en er even later ook een dokter de kamer binnenstormt…
‘Ze heeft op jou gewacht,’ zegt haar broer me wel tien keer, ‘Ze moest je nog zien. Je betekende zoveel voor haar.’
Ik draai wat in het rond. Ik voel me een indringer. De familie zou dit moment onder hen moeten kunnen beleven. Daarom zeg ik dat ze me mogen bellen als ik met iets kan helpen en verdwijn stilletjes.
Ik loop, zoals ik had gepland, de stad in. Maar een deel van mij blijft op de ziekenhuiskamer. Een deel van mij blijft bij Maria.
Maria, die zo'n twee jaar geleden voor het eerst het dagcentrum binnenstapte en in mijn groep terechtkwam. Die ondanks dat ze altijd thuis had gewoond enthousiast mee kookte en knutselde en zijden sjaals schilderde. Die altijd van een babbeltje hield. Die zo graag lachte en anderen fopte. Die het de max vond zich te verkleden. Maria die in de kortste keren ieders hart veroverde. Die veel te snel ziek werd, heel erg ziek. Die tussen de ziekenhuisperiodes door nog het dagcentrum bezocht en probeerde zoveel mogelijk aan alles deel te nemen. Die steeds sneller moe werd. Vaak terug naar het ziekenhuis moest. Die enkele weken geleden nog zo blij was omdat de Sint ook op haar ziekenhuiskamer langskwam. Maria die daarstraks nog even in mijn ogen keek. Die op me heeft gewacht…

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

dinsdag 4 december 2012

Vijfenveertig (39)

De laatste avond

We hebben met H. en R. afgesproken om een nieuw restaurantje uit te proberen, maar eerst wippen Manlief en ik nog even bij meter binnen. De laatste weken komt ze haast niet meer haar bed uit. Ze heeft last van doorligwonden. Eet nog weinig. En ligt daar maar wat voor zich uit te staren. Hoewel er meestal toch even een glans in haar ogen verschijnt als we binnenkomen.
Vandaag gebeurt dat niet. Ze draait en keert op haar matras.
‘Ma… Ve.e…’, zegt ze. Er volgen een heleboel klanken waar ik niet wijs uit geraak. Ze wroet nog heviger.
Ik neem haar handen vast. ‘Rustig, meter.’ Streel haar voorhoofd. Ze heeft de huid op haar wangen en kin de voorbije dagen danig kapot gekrabd. ‘Wat scheelt er toch?’
Een vol brikje Fortimel staat op het tafeltje naast haar bed.
‘Moet je niet wat drinken?’ probeer ik.
Ze draait haar hoofd weg. ‘Ma… Ve.e…’
Net als ik begrijpt Manlief geen snars van wat ze ons wil duidelijk maken.
Ik loop even bij de verzorgsters langs. ‘Is er iets gebeurd misschien? Meter is zo onrustig.’
‘Nee,’ verzekeren ze me, ‘alles is normaal.’
‘Maar haar Fortimel staat er nog.’
‘Ja, ze eet de laatste dagen wat minder. Dat betert wel weer. Ook bij de andere oudjes zien we dat. Hun eetlust gaat op en af.’
Als ik weer op haar kamer kom, kraamt meter nog steeds de vreemdste klanken uit. ‘Ma…Ve.e.’ komt altijd opnieuw terug. Ook Manlief slaagt er niet in meter wat te kalmeren.
Met een slecht gevoel drukken we uiteindelijk een zoen op haar wang en rijden naar het restaurant.
Ik vertel H. en R. dat het niet goed gaat met meter. Ze luisteren. Proberen me gerust te stellen. Na even hebben we het ook over andere dingen. Ik geniet van de avond en het lekkers.

De volgende dag ben ik alleen thuis als de telefoon rinkelt. Het is tante A.
‘Ik heb slecht nieuws,’ zegt ze, ‘Het rusthuis heeft me net gebeld. Meter is gestorven.’
‘Ma…Ve.e... Ma…Ve.e...’ klinkt het telkens weer in mijn hoofd.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

donderdag 29 november 2012

Vijfenveertig (34)

Wegrennen

Vele jaren voor haar dood nam ik al afscheid van haar. Het was op de dag dat tante E. en nonkel W. hun porseleinen bruiloft vierden. Ik was toen een prille tiener.
Zodra ik haar aan de feesttafel zag zitten stapte ik vrolijk op haar af.
‘Dag moéke,’ zei ik.
Een grote frons verscheen op haar gezicht. ‘Wie ben je?’
‘Veerle,’ lachte ik onzeker.
De frons werd dieper. ‘Veerle, wij hebben toch geen Veerle?’
Ik probeerde een nieuwe glimlach uit. Maar die paste me niet. Ik draaide wat rond. En rende weg. Weg van haar. Naar de tafel waar mijn neven en nichten zaten. Naar het buffet waar ik teveel op mijn bord schepte. Naar de dansvloer vanwaar ik amper nog uit mijn ooghoeken naar haar durfde te loeren. Ik rende weg uit haar leven.
Wist ik toen veel dat dit niet herkennen dementie was.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

vrijdag 23 november 2012

Vijfenveertig (28)

Forever young

‘Forever young
I wanna be
Forever young
Do you really want to live forever?
Forever
Forever young…' neurie ik met Alphaville op de radio mee, als ik van een studiedag in Nederland naar huis rij. Even doet al wat ik vandaag mocht ervaren en leren er niet meer toe, want de muziek voert me naar de dorpskerk in Muizen meer dan vijfentwintig jaar geleden.

Ook daar weerklinkt Alphaville.

‘But sooner or later they all will be gone.
Why don’t they stay young?...’
De kerk is stampvol. Ik zit op een van de laatste rijen. In het midden vooraan staat een kist. Ik kan niet geloven dat jij daarin ligt. En ik kan nog minder geloven dat jij daar zelf voor hebt gekozen. De zon schijnt flauw door de lange smalle kerkramen alsof je naar al deze mensen hier glimlacht. Maar dat klopt niet, want je glimlachte nooit. Jij lachte altijd voluit, met je hele mond, je hele gezicht, en zelfs je hele lijf. Je was altijd de vrolijkste van de bende. Ik kan de controverse tussen jouw speelse zelf en deze keiharde dood maar moeilijk hanteren.
Als ik na de mis op het kerkplein met Luc en Gerda praat merk ik dat ze met hetzelfde gevoel zitten. Hierbuiten schijnt de zon fel, maar het is wel bitterkoud, alsof je schaterlacht en ons tegelijk goed hebt liggen. En dat plaatje klopt wel, want je was altijd de eerste om iemand beet te nemen. Neem je ons ook met je dood beet?

Een rood waarschuwingsbord katapulteert me weer naar vandaag op de Nederlandse snelweg. Langzaam komen de verhalen van de studiedag terug. Maar ook je volle lach rijdt nog met me mee. Zoals steeds als Alphaville door de boxen galmt.
'Youth is like diamonds in the sun
And diamonds are forever…’

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

dinsdag 30 oktober 2012

Vijfenveertig (4)

Een lange jurk

Op het einde van het schooljaar ging onze juf, juffrouw Van Bosstraeten, op pensioen. In het grootste geheim planden we met de hele school een feest voor haar. Wij van het vierde leerjaar, haar allerlaatste klas, kregen daarbij een prominente rol. Diane las een gedicht voor. Wendy en Ann voerden een sketch op. En met de hele klas dansten we de vlegerd, een volksdans. Wekenlang hadden we daarvoor geoefend tijdens de turnles. Omdat onze turnmeester wilde dat het er allemaal heel chique uitzag, had hij ons gevraagd die dag een lange jurk aan te trekken. Maar ik had helemaal geen lange jurk.
Dat durfde ik niet zomaar toegeven. Ik was bang dat iedereen me zou uitlachen als ik de dag van het feest als enige zonder lange jurk zou verschijnen. Want wie had nu geen lange jurk?
Ik had wel een lang nachtkleed, een rood met groene en blauwe figuurtjes en een lint dat in mijn taille moest worden geknoopt. Een heel mooi nachtkleed trouwens. Zou dat voor lange jurk kunnen doorgaan?
De dag van het pensioneringsfeest smokkelde ik dit slaapkleed mee naar school. Om alle verdenking uit te sluiten vertelde ik mijn klasgenoten op welke feesten ik het allemaal had gedragen, huwelijken van neven en nichten die in werkelijkheid slechts een paar jaar ouder waren dan ikzelf, tuinfeesten bij niet bestaande vrienden van mijn ouders,...
Speciaal voor juffrouw Van Bosstraeten, nota bene mijn lievelingsjuf, en voor het oog van de hele school danste ik die dag in mijn nachtkleed.
Niemand heeft me uitgelachen, toch niet in mijn gezicht, maar het kan niet anders of de juffen en de turnmeester hebben dat wel in hun vuistje gedaan.


Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

dinsdag 9 oktober 2012

Gedicht

toen mijn woorden
samen met jou
zijn doodgegaan

schreef ik met
roos, aronskelk
en orchidee

ik kneedde hen
tot ons verhaal

het eindigde met
De Schreeuw

maandag 1 oktober 2012

Lieve P.

Lieve P.

Zelf vond ik het nog wat snel na de dood van Poeslief, toen we jou en je broer uit een nest van vier poesjes kozen, maar mijn huisgenoten waren wel al aan nieuwe huisdieren toe. Zoonlief besliste dat je broer en jij dat werden, je broer omdat hij toch wel erg veel weg had van Poeslief en jij omdat je hem overal zo schattig volgde. We kozen meteen twee poezen uit, omdat jullie dan heel leuk samen zouden kunnen spelen, en omdat we niet helemaal met lege handen zouden staan als een van jullie beiden ooit dood zou gaan. Jullie hadden nog een poosje moedermelk nodig, dus namen we jullie nog niet meteen mee naar huis. Maar thuis brachten we wel alles in gereedheid voor jullie komst en een paar weken later waren we er weer.
Toen volgde je Zoonlief helemaal niet zoals de eerste keer. Je zat ineegedoken in je kooi en we hadden veel moeite om je eruit te krijgen. De eigenares van het pension vertelde dat je nog niet zelfstandig at en dronk, maar je was ondertussen al negen weken, dus was ze ervan overtuigd dat als je moeder niet meer in de buurt was dit zichzelf wel zou oplossen. Met een klein hartje namen we je mee.
Thuis ging je helemaal niet, zoals je broer, op ontdekkingstocht, en je at of dronk ook helemaal niets. Je kroop in een hoekje en sliep veel. Ik was bang dat je zou uitdrogen en gaf je daarom water met een pipetje. Ik vermoedde dat je ernstig ziek was.
De volgende morgen bleek mijn vermoeden juist te zijn, want toen gaf je ook over. Helaas kon ik niet naar de dierenarts met je, want het was zondag. Ik bleef je de hele dag door water geven en af en toe ook een beetje yoghurt.
Op maandag reden we zo snel mogelijk naar de dierenarts. Zij vreesde dat je de kattenziekte had, iets waar geen medicijn voor bestaat. Maar omdat wij je niet zomaar wilden opgeven, startten we toch een antibioticakuur. De dierenarts diende je ook fysiologisch serum toe, omdat je inderdaad al heel erg aan het uitdrogen was. Thuis gaf ik je zowat om het uur een pipetje met water, medicijnen, krachtvoer, yoghurt, of bouillon en later ook kattenvoeding gemixt met bouillon. Blijkbaar sloeg de antibiotica aan, want stilaan wandelde je al eens rond of speelde je even met je broer. De volgende dag zag je er al een stuk beter uit. Je kreeg nog eens fysiologisch serum en begon zelf van de bouillon met kattenvoeding te eten.
Anders dan je broer kwam je niet zo vaak flodderen, maar wel kwam er almaar meer leven in je. We genoten ervan je door het huis te zien hollen en samen met je broer te zien te spelen. Ik was ontzettend blij dat je het had gehaald en was op deze korte tijd al heel veel van je gaan houden. Net als Manlief en Zoonlief.
Na een tijdje mocht je samen met je broer aan een lange leiband buiten spelen. Zo wilden we je de omgeving leren kennen. Je amuseerde je reuze op de glijbaan waar Zoonlief al lang niet meer op speelt, maar die toch niet uit onze tuin is weggeraakt. Moeizaam kroop je erop naar boven om dan pijlsnel naar beneden te glijden. Een gek zicht was het!
Tijdens onze vakantie zorgde Buurman voor jou en je broer. Toen we na veertien dagen thuiskwamen schrokken we ervan hoe groot je was geworden. Jij, die door je ziekte in het begin altijd de kleinste van de twee was geweest, was nu zelfs groter dan je broer.
Je werd aanhankelijker en kwam vaker kopjes geven of op onze schoot liggen. Tegelijk was je heel levendig. Meestal nam jij het voortouw in jullie spel. Zowel binnen als buiten.
En dat buiten is je fataal geworden. Op een vrijdagavond belde een man aan. Hij had het adreskokertje vast dat je aan een bandje om je hals droeg. 'Mevrouw, je poes is dood,' zei hij, 'Ik heb ze hier op straat gevonden.'
Ik weet niet wat ik hem heb geantwoord. Iets van dat dit niet kon, en niet mocht, denk ik, dat het de eerste keer was dat je op straat kwam, want dat je eigenlijk altijd in de tuin speelde, en dat je nog geen vijf maanden oud was,...
Ik heb je in mijn armen naar de tuin gedragen. Je was nog warm. Je had een kleine wonde in je zij en je halsband was ontzettend vuil. Verder zag je er nog zo mooi uit.
Zaterdag hebben we je begraven in ons oerwoud. Naast Poeslief.
Wat heb je pech gehad, lieve P. Eerst zo ziek zijn en nu dit. Aan je levenslust kan het nochtans niet hebben gelegen, want die hàd je. En kracht had je ook. Dat heb je je eerste weken bij ons bewezen.
We hadden twee poezen gekozen omdat jullie fijn samen zouden kunnen spelen, weet je nog? Je broer, die loopt hier verloren nu.
We hadden er ook twee gekozen om niet met lege handen te staan als er een dood zou gaan. Maar nooit hadden we gedacht dat dit zo snel al zou zijn. Dat was, verdorie, ook de niet bedoeling. Ook al was je maar een paar maanden bij ons, je hoorde er gewoon bij. We missen je.

XXX
veerle






maandag 16 juli 2012

Geesten oproepen

Juli 1979
Ik ben dertien en samen met mijn vriendin, I. op vakantie in Bouillon met het ziekenfonds.
Overdag spelen we de gekste spelletjes, maken lollige uitstappen en zingen zo luid dat het in heel Bouillon te horen moet zijn.
's Avonds op de slaapzaal gaat de pret gewoon verder. We halen onze gezelschapsspelen boven, tateren erop los en organiseren (de durvers toch) een séance.
Met zijn vijven zitten we op de grond rond een kring van letters, cijfers en de woorden 'ja' en 'nee'. In het midden van de kring staat een glas. Daar leggen we elk onze wijsvinger op. We maken het muisstil. Ook de andere meisjes in de slaapzaal geven geen kik. Sommige loeren over onze schouders mee, andere verstoppen zich onder hun deken.
'Is hier een geest aanwezig?' vraagt I. Er gebeurt niks.
Opnieuw: 'Is hier een geest?'
Het glas schiet een tikje naar links. Meer beweging komt er echter niet in. De spanning is te snijden. I. stelt de vraag nogmaals. Het glas schuift opnieuw opzij. Aarzelend eerst. Maar algauw glijdt het zelfzeker naar 'ja'.
Ik hap naar adem.
Om beurt stellen we nu een vraag. Waar woon ik? Hoeveel broers heb ik? Hoe oud ben ik?...
Alles beantwoordt de geest correct. Nu we weten dat hij ons niet voor het lapje houdt, durven we ook gewaagdere vragen te stellen. Wordt de rest van de vakantie leuk? Zal ik later trouwen? Is G. verliefd op mij?...
Als I. vraagt hoe oud ze zal worden, slik ik. Het glas schuift traag naar de '9' en dan naar de '3'.
Oef! Zelf durf ik zoiets niet te vragen. Ook de andere meisjes doen dat niet.

Na deze vakantie gaan I. en ik elk naar een andere school. Enkele jaren later verliezen we elkaar uit het oog.

Juli 2012
Op een feestje stapt een vrouw die me vaag bekend voor komt op me af. 'Jij bent toch Veerle, hé?' vraagt ze.
Ik druk meteen op de aan-knop in mijn hersenen, maar mijn scherm blijft blanco tot ze zich voorstelt als 'W., de zus van I.' Dan zie ik weer het meisje dat ons enthousiast uitwuifde toen we vertrokken naar Bouillon, I.'s kleine zusje.
We geraken meteen aan de praat.
Als ik vraag hoe het met I. gaat, blinken haar wimpers plots zilverachtig.
'I. is in april overleden,' vertelt ze. 'Een auto-ongeluk.'
Ik vind even geen woorden.
De rest van de avond spookt I. door mijn gedachten. En met haar, die verdomde geest uit Bouillon.
'93' zou ze worden. Dat had hij beloofd.
Maar kijk, ze haalde niet eens de helft

vrijdag 18 november 2011

Poeslief is niet meer

17 jaar geleden
Na het werk slaan we een babbeltje met onze buren. Hun dochtertje C. zit ondertussen vrolijk onze Poeslief achterna. De twee amuseren zich kostelijk. Maar plots zijn ze uit ons zicht verdwenen. Als we hen nergens vinden slaat Buurvrouw in paniek. Dan denk ik eraan dat Poeslief wel eens tussen de boompjes naar de tuin van onze andere Buurman durft kruipen. Ik ga even kijken op zijn erf. Poeslief zit er inderdaad tussen de struiken. En C. staat op nog geen halve meter van de waterput die er gevaarlijk open ligt.

Zondag, 6 november 2011
Als Zoonlief naar bed gaat wil hij zoals elke avond Poeslief slaapwel zeggen. Ik herinner me dat ik hem een hele tijd geleden heb buiten gelaten.
'Neem je staart maar mee,' zei ik nog toen hij in de deuropening bleef dralen.
Vreemd dat hij nog niet terug is, want onze oude poes zet nog wel regelmatig een stapje in de wereld, maar komt telkens na een tiental minuten weer binnen. Zoonlief roept hem uit volle borst, maar Poeslief komt niet opdagen. Ook op het geroep van Manlief en mezelf reageert hij niet. We kijken op alle plekjes waar Poeslief graag vertoeft: op het terras, tussen de buxusbollen, onder de rododendron, op onze oprit,... We zoeken ook wat verder weg: achter het tuinhuis, in de voortuintjes van de buren, zelfs in ons oerwoud, maar geen Poeslief te bespeuren...
Tegen zijn zin gaat Zoonlief naar bed. Hij valt maar moeilijk in slaap. Manlief en ik trekken nog eens buiten rond, met een zaklamp dit keer. We kijken op alle plaatsen waar we reeds zochten en wandelen de hele straat af. We zoeken ook in de grachten. Tegen onze zin kruipen we uiteindelijk ook onze nest in.

Maandag, 7 november 2011
Ik ben al vroeg wakker. Ik hoop dat Poeslief gewoon voor de deur staat, zoals in zijn jonge jaren, toen bleef hij wel vaker een nachtje weg. Maar nee... nog voor het ontbijt ga ik weer op zoek. Nadat Manlief Zoonlief naar school heeft gebracht speurt hij met me mee: we kammen nog eens onze tuin en oerwoud uit, we zoeken in het veld erachter, in een bos wat verderop...
Na school gaat Zoonlief de straat op. Hij neemt Poesliefs lievelingssnoepjes mee en rammelt met het doosje. Op dit geluid komt Poeslief immers steevast af. Hij typt 'gezocht!'-briefjes en stopt ze in alle brievenbussen in de buurt.
Ik vertel Zoonlief voorzichtig dat ik bang ben dat we Poeslief niet meer levend zullen terugvinden. Hij heeft suikerziekte en kan onmogelijk zo lang zonder insuline. Hij schrikt, maar beseft de waarheid meteen. Misschien vreesde hij het in zijn binnenste al.

Dinsdag, 8 november 2011
Tegen beter weten in speuren we opnieuw de hele buurt af. We vragen aan Boer of we ook zijn akker mogen doorspitten. Manlief kruipt over het prikkeldraad om de hele paardenwei af te stappen.
'Nog niks gevonden?' bromt Buurman als hij ons bezig ziet.
'Helaas niet,' zucht ik, 'Mogen we ook even in jouw tuin kijken?'
Hij heft zijn schouders. 'Ik heb hem echt niet gezien, hoor!'
Manlief dringt aan. Terwijl ik onder de haag zoek, stapt hij meteen naar de waterput. Die ligt nog steeds open. Er drijven haartjes op. Poezenhaartjes. Poesliefs haartjes. Manlief knielt bij de put neer en vindt Poeslief onder het beton.
Waarschijnlijk heeft hij willen drinken en is hij zo in de put gesukkeld.
's Avonds pikken we Zoonlief met ons tweetjes op op school. Hij heeft meteen door dat er iets niet in de haak is.
Samen begraven we Poeslief op zijn favoriete plekje in het oerwoud.
Ik weet het, hij is maar een dier, maar wat zullen we hem missen. Heel erg missen. Alle drie.

Woensdag, 9 november 2011
Vanuit het slaapkamerraam merk ik dat Buurman het deksel op zijn waterput heeft gelegd.

zondag 17 juli 2011

De koudste julidag sinds de weerwaarnemingen in 1833

10 juli 2011:
W. en T. laten de champagne knallen. Vandaag werd hun dochtertje, Jana geboren. Meer dan tien jaar liet ze op zich wachten. Grote zus, Elise (14 jaar) mag meter zijn. Daar is ze ontzettend fier op. 'Ik hoop dat mama en papa nog regelmatig een stapje in de wereld gaan zetten,' zegt ze, 'want op dit schatje wil ik wel alle dagen babysitten.'

12 juli 2011:
Elise ontwaakt met een verschrikkelijke pijn ter hoogte van haar borst. Haar papa voert haar naar het ziekenhuis. Het ene onderzoek volgt er het andere op. Elise houdt het niet meer van de pijn en wordt in een kunstmatige coma gebracht. Het vlijmscherpe verdict valt: botkanker. Een gezwel zo groot als een tennisbal drukt op Elises borstbeen. Baby Jana slaapt door dit vreselijke nieuws door.

14 juli 2011:
De artsen stellen een zware behandeling voor. Maar voor die kan opgestart worden overlijdt Elise.
Het is de koudste julidag sinds de weerwaarnemingen in 1833. In ons dorp is het nog een heel pak kouder.

Ik wens de familie van Elise heel veel sterkte toe.

donderdag 14 juli 2011

Siësta

In 2008 schreef ik:

Als ik thuiskom zorgt een oranje streep boven de boomtoppen voor wat kleur in de sombere hemel. Een vlucht eenden trekt voorbij. Een paard hinnikt. Op het veld is een gebogen schim  druk in de weer. Een knalgele driehoek beschermt zijn hoofd tegen de regendruppels. Deze vogelverschrikker is hier een vast ingrediënt zoals spek in een boerenomelet.
‘Joe!’, buldert hij naar me. Ik zwaai terug en ren gauw naar binnen.

Als ik wat later naar buiten kijk is het opgehouden met regenen. Er is geen beweging meer op de akker. De boer ligt met zijn benen opgetrokken in de natte graskant. Roerloos. Zijn gele hoed even verderop.
Die heeft iets gekregen, flitst door me heen. Wat nu? Een ziekenwagen bellen? Zijn oude vader verwittigen? Als versteend staar ik voor me uit. Dan bedenk ik dat ik best eerst even kan kijken hoe erg het met hem is gesteld. Misschien kan hij nog praten. Net als ik de voordeur opendoe sukkelt hij weer overeind. Hij rekt zich langzaam uit.
‘Alles oké?’ roep ik.
‘Ja, effe ingedommeld!’ brult hij. Hij bukt zich en zet de driehoek weer op zijn hoofd. Dan stapt hij naar zijn kar toe en duwt ze voort tussen de groentebedden.

Enkele dagen geleden lag hij opnieuw in de graskant. Niet ik merkte hem op, maar een voorbijrijdende fietser. Hij belde wel een ziekenwagen. Geen hulp kon nog baten.
Overbuur is niet meer.