Wachtkamer
Er was de lange smalle wachtzaal met lichtgroen geschilderde muren bij de kinderspecialist. Het zat er steeds bomvol met vaders die in tijdschriften bladerden, moeders die het snot onder de neuzen van hun kinderen wegveegden en kleuters die op de hoeken van kartonboekjes sabbelden. Het was er altijd snikheet en we zaten er uren...
Er was de kale vierkante wachtkamer bij de tandarts, waar het altijd zo naar rook. Slechts één poster hing er aan de hoge witte muren, een met een half opgepeuzelde appel op en de woorden ‘Snoep gezond, eet een appel.’ Meestal zat er, naast ons, slechts één man. Maar toch moesten we ook hier oneindig lang wachten. Ik rilde er van de kou en de schrik…
Er was de wachtgang bij de gynaecoloog in het ziekenhuis, met zachte blauwe stoelen en in het midden een tafeltje vol leesvoer voor zwangere vrouwen. De vrouwen rond mij hadden haast allemaal iets minder of net hele dikke buiken. Sommige waren vergezeld van hun man. Omdat de dokter vaak was weggeroepen voor een bevalling had ik tijd genoeg om me in de folders op het tafeltje te verdiepen, maar meestal verkoos ik weg te duiken in mijn eigen boek…
Er was het donkere wachtlokaal op de spoeddienst met in het midden een verrijdbaar bed, tegen de muren kasten vol verband, spuiten, en ander steriel eerste hulpmateriaal. Ik bibberde er onder een deken en de tijd tikte tergend traag…
En er was de wachtkamer van mijn fantasie. Een knusse en zonnige plek waar ik naartoe ging telkens als ik het aan de stok had met ons moeke of vake, als ik me eenzaam voelde of me verveelde, als ik niet in slaap kon geraken, tijdens de lange autoritten naar onze vakantiestek, als de jongen waar ik zo verliefd op was geen oog voor me had, als er serieuze ruzies waren thuis. Het was de plek ook waar ik naartoe trok als ik met mijn creativiteit geen blijf wist. Er werden hele verhalen geboren, gedichten, een boek. Er werden shows en toneelstukken ineen geflanst.
Ik trek me nog steeds graag in deze wachtkamer terug om ideeën uit te broeden. En dat is wat ik ook de voorbije maanden deed. Ik legde de eerste stenen van een nieuw project waar ik je binnenkort graag meer over vertel.
Benieuwd? Hou deze blog dan maar in het oog.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast
Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast.
Het leven wiebelt. Soms slingert het zacht heen en weer, zoals een kind op een schommel. Misschien geef je het dan, net als dat kind, vol vertrouwen een extra duwtje, en ga je almaar hoger. Maar het leven kan ook wankelen, een kant op waggelen die je helemaal niet uit wil. Of het kan danig schudden en schokken, zodat je grondvesten daveren.
Op al deze momenten zijn er woorden.
WiebelWoorden zoekt ze samen met je op.
Omdat woorden helpen herinneringen te bewaren en belevenissen te delen. Omdat woorden een houvast bieden. En omdat het bijzonder prettig is woorden aan papier toe te vertrouwen.
Op dit blog vind je vooral woorden terug die binnen in mij wiebelden. Die zich puzzelden tot een anekdote, verhaal of gedicht.
Wiebel tijdens het lezen gerust mee op hun ritme.
Posts tonen met het label dokter. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dokter. Alle posts tonen
maandag 10 december 2012
zondag 9 december 2012
Vijfenveertig (44)
Afscheid van Maria
Onbeweeglijk ligt Maria in het grote ziekenhuisbed. Haar huid is dun en breekbaar als de varkensblaas die ik eens in een museum zag. Naast het bed zitten haar broer en zus.
‘Het gaat niet goed,’ fluistert haar broer me toe.
Als ik me over haar buig opent ze even haar ogen. Als ik haar hand vastneem beweegt ze haar bovenlip. Het lijkt alsof ze me iets zeggen wil, maar er komt geen klank. Dan ligt ze weer zo onbeweeglijk als eerst.
‘Ze slaapt bijna de hele dag,’ vertelt haar zus, ‘En de weinige momenten waarop ze wakker is, staart ze maar voor zich uit.’
Twee verpleegsters stappen de kamer binnen. ‘Kunnen jullie even op de gang wachten? We moeten haar verzorgen.’
Op de gang pinkt haar zus een traan weg. ‘Ze praat niet meer. Zelfs als we iets vragen reageert ze niet.’
De verpleegsters vliegen ons voorbij. ‘Je mag weer binnen, hoor!’
Maria ligt nu nog onbeweeglijker dan daarnet.
Haar broer loopt op haar af en legt zijn hand op haar voorhoofd. ‘ ’t Is… voorbij,’ stamelt hij, ‘Helemaal… voorbij.’
Het dringt niet meteen tot me door wat hij bedoelt. Tot hij de verpleegsters terugroept en er even later ook een dokter de kamer binnenstormt…
‘Ze heeft op jou gewacht,’ zegt haar broer me wel tien keer, ‘Ze moest je nog zien. Je betekende zoveel voor haar.’
Ik draai wat in het rond. Ik voel me een indringer. De familie zou dit moment onder hen moeten kunnen beleven. Daarom zeg ik dat ze me mogen bellen als ik met iets kan helpen en verdwijn stilletjes.
Ik loop, zoals ik had gepland, de stad in. Maar een deel van mij blijft op de ziekenhuiskamer. Een deel van mij blijft bij Maria.
Maria, die zo'n twee jaar geleden voor het eerst het dagcentrum binnenstapte en in mijn groep terechtkwam. Die ondanks dat ze altijd thuis had gewoond enthousiast mee kookte en knutselde en zijden sjaals schilderde. Die altijd van een babbeltje hield. Die zo graag lachte en anderen fopte. Die het de max vond zich te verkleden. Maria die in de kortste keren ieders hart veroverde. Die veel te snel ziek werd, heel erg ziek. Die tussen de ziekenhuisperiodes door nog het dagcentrum bezocht en probeerde zoveel mogelijk aan alles deel te nemen. Die steeds sneller moe werd. Vaak terug naar het ziekenhuis moest. Die enkele weken geleden nog zo blij was omdat de Sint ook op haar ziekenhuiskamer langskwam. Maria die daarstraks nog even in mijn ogen keek. Die op me heeft gewacht…
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Onbeweeglijk ligt Maria in het grote ziekenhuisbed. Haar huid is dun en breekbaar als de varkensblaas die ik eens in een museum zag. Naast het bed zitten haar broer en zus.
‘Het gaat niet goed,’ fluistert haar broer me toe.
Als ik me over haar buig opent ze even haar ogen. Als ik haar hand vastneem beweegt ze haar bovenlip. Het lijkt alsof ze me iets zeggen wil, maar er komt geen klank. Dan ligt ze weer zo onbeweeglijk als eerst.
‘Ze slaapt bijna de hele dag,’ vertelt haar zus, ‘En de weinige momenten waarop ze wakker is, staart ze maar voor zich uit.’
Twee verpleegsters stappen de kamer binnen. ‘Kunnen jullie even op de gang wachten? We moeten haar verzorgen.’
Op de gang pinkt haar zus een traan weg. ‘Ze praat niet meer. Zelfs als we iets vragen reageert ze niet.’
De verpleegsters vliegen ons voorbij. ‘Je mag weer binnen, hoor!’
Maria ligt nu nog onbeweeglijker dan daarnet.
Haar broer loopt op haar af en legt zijn hand op haar voorhoofd. ‘ ’t Is… voorbij,’ stamelt hij, ‘Helemaal… voorbij.’
Het dringt niet meteen tot me door wat hij bedoelt. Tot hij de verpleegsters terugroept en er even later ook een dokter de kamer binnenstormt…
‘Ze heeft op jou gewacht,’ zegt haar broer me wel tien keer, ‘Ze moest je nog zien. Je betekende zoveel voor haar.’
Ik draai wat in het rond. Ik voel me een indringer. De familie zou dit moment onder hen moeten kunnen beleven. Daarom zeg ik dat ze me mogen bellen als ik met iets kan helpen en verdwijn stilletjes.
Ik loop, zoals ik had gepland, de stad in. Maar een deel van mij blijft op de ziekenhuiskamer. Een deel van mij blijft bij Maria.
Maria, die zo'n twee jaar geleden voor het eerst het dagcentrum binnenstapte en in mijn groep terechtkwam. Die ondanks dat ze altijd thuis had gewoond enthousiast mee kookte en knutselde en zijden sjaals schilderde. Die altijd van een babbeltje hield. Die zo graag lachte en anderen fopte. Die het de max vond zich te verkleden. Maria die in de kortste keren ieders hart veroverde. Die veel te snel ziek werd, heel erg ziek. Die tussen de ziekenhuisperiodes door nog het dagcentrum bezocht en probeerde zoveel mogelijk aan alles deel te nemen. Die steeds sneller moe werd. Vaak terug naar het ziekenhuis moest. Die enkele weken geleden nog zo blij was omdat de Sint ook op haar ziekenhuiskamer langskwam. Maria die daarstraks nog even in mijn ogen keek. Die op me heeft gewacht…
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
vrijdag 7 december 2012
Vijfenveertig (42)
Het medisch centrum
Net als in de klas zitten we hier in rijen. Maar anders dan in de klas hebben we onze jas aan over ons ondergoed. Dat is puffen. Mijn andere kleren hangen op de rugleuning van mijn stoel. Ze vallen er voortdurend af. Als ik de zoveelste keer rechtsta om ze op te rapen kijkt onze juffrouw me boos aan. Ik steek mijn neus maar snel weer in mijn boek.
‘Nummers 10 tot 15!’ roept een verpleegster dan.
Samen met enkele klasgenootjes loop ik naar haar toe. Ze toont Nadia de kamer waar ze binnen mag en zegt ons even te wachten in de gang.
‘Warm, he!’ klaag ik tegen Martine.
‘Amai,’ zucht ze en steekt daarbij haar tong heel ver uit haar mond.
We giechelen.
‘Stil daar,’ klinkt een schelle stem uit de kamer.
Even later trekt Martine nog gekkere bekken. We lachen weer.
‘Is het daar genoeg in de gang?’ Opnieuw de schelle stem.
We persen onze lippen op elkaar. Wat later fezelen we toch weer. En nog een beetje later klinken onze stemmen zelfs weer iets harder.
Plots staat een vrouw met een zilveren haardos vlak naast me. ‘ Genoeg had ik gezegd.’ Haar ogen vlammen vuur. Ze duwt me in een hoek van de gang. Martine mag met haar mee. Pas als ik heel zeker weet dat ze in de kamer zijn verdwenen, durf ik mijn hoofd naar Diane en Anita om te draaien. Maar iets zeggen doen we niet meer.
Als de vrouw klaar is met Martine moet ik met haar mee. Ik voel me heel klein. Ik heb het nog warmer dan in de wachtzaal.
‘We zullen eens horen of het hier even goed gaat als in de gang,’ grijnst ze. Ze zet een koptelefoon op mijn hoofd. ‘Als je een piep hoort, steek je je hand op.’
Ik hoor bijna nooit ‘piep’. Om de vrouw niet nog meer van streek te brengen steek ik mijn hand maar op goed geluk op. Haar grijns wordt alsmaar groter.
‘Hier had je minder noten op je zang, he,’ lacht ze me uit, als ze de koptelefoon weer van mijn hoofd neemt.
In de wachtzaal buig ik me terug over mijn boek. Het is zo warm dat ik me onwel voel, maar ik durf het niet tegen onze juffrouw te zeggen.
Na een hele tijd roept de verpleegster me weer. Ze brengt me naar de dokter. Hij is een oude man, grimmige man. Zijn gezicht is bleker dan dat van meter toen ze heel erg ziek was.
‘Doe’d uwe frak uit!’ gromt hij.
Mijn handen beven als ik mijn rits omlaag trek.
De dokter kijkt dwars door me heen. Ik krijg het er koud van. Hij draait mij met mijn rug naar hem toe. Zijn hand wrijft over mijn rug. Ik krijg het nog kouder. Hij zet me op de een tafel en klopt dan met een hamertje op mijn knie. Daarna moet ik weer rechtstaan, dicht bij hem. Hij trekt even aan de rek van mijn onderbroek en loert erin.
‘Goed,’ grolt hij, ‘Frak aan!’
Ik mag weer naar de wachtzaal, weer mijn gewone kleren aandoen.
Oef, het is voorbij.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Net als in de klas zitten we hier in rijen. Maar anders dan in de klas hebben we onze jas aan over ons ondergoed. Dat is puffen. Mijn andere kleren hangen op de rugleuning van mijn stoel. Ze vallen er voortdurend af. Als ik de zoveelste keer rechtsta om ze op te rapen kijkt onze juffrouw me boos aan. Ik steek mijn neus maar snel weer in mijn boek.
‘Nummers 10 tot 15!’ roept een verpleegster dan.
Samen met enkele klasgenootjes loop ik naar haar toe. Ze toont Nadia de kamer waar ze binnen mag en zegt ons even te wachten in de gang.
‘Warm, he!’ klaag ik tegen Martine.
‘Amai,’ zucht ze en steekt daarbij haar tong heel ver uit haar mond.
We giechelen.
‘Stil daar,’ klinkt een schelle stem uit de kamer.
Even later trekt Martine nog gekkere bekken. We lachen weer.
‘Is het daar genoeg in de gang?’ Opnieuw de schelle stem.
We persen onze lippen op elkaar. Wat later fezelen we toch weer. En nog een beetje later klinken onze stemmen zelfs weer iets harder.
Plots staat een vrouw met een zilveren haardos vlak naast me. ‘ Genoeg had ik gezegd.’ Haar ogen vlammen vuur. Ze duwt me in een hoek van de gang. Martine mag met haar mee. Pas als ik heel zeker weet dat ze in de kamer zijn verdwenen, durf ik mijn hoofd naar Diane en Anita om te draaien. Maar iets zeggen doen we niet meer.
Als de vrouw klaar is met Martine moet ik met haar mee. Ik voel me heel klein. Ik heb het nog warmer dan in de wachtzaal.
‘We zullen eens horen of het hier even goed gaat als in de gang,’ grijnst ze. Ze zet een koptelefoon op mijn hoofd. ‘Als je een piep hoort, steek je je hand op.’
Ik hoor bijna nooit ‘piep’. Om de vrouw niet nog meer van streek te brengen steek ik mijn hand maar op goed geluk op. Haar grijns wordt alsmaar groter.
‘Hier had je minder noten op je zang, he,’ lacht ze me uit, als ze de koptelefoon weer van mijn hoofd neemt.
In de wachtzaal buig ik me terug over mijn boek. Het is zo warm dat ik me onwel voel, maar ik durf het niet tegen onze juffrouw te zeggen.
Na een hele tijd roept de verpleegster me weer. Ze brengt me naar de dokter. Hij is een oude man, grimmige man. Zijn gezicht is bleker dan dat van meter toen ze heel erg ziek was.
‘Doe’d uwe frak uit!’ gromt hij.
Mijn handen beven als ik mijn rits omlaag trek.
De dokter kijkt dwars door me heen. Ik krijg het er koud van. Hij draait mij met mijn rug naar hem toe. Zijn hand wrijft over mijn rug. Ik krijg het nog kouder. Hij zet me op de een tafel en klopt dan met een hamertje op mijn knie. Daarna moet ik weer rechtstaan, dicht bij hem. Hij trekt even aan de rek van mijn onderbroek en loert erin.
‘Goed,’ grolt hij, ‘Frak aan!’
Ik mag weer naar de wachtzaal, weer mijn gewone kleren aandoen.
Oef, het is voorbij.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Abonneren op:
Posts (Atom)