Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast


Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast.

Het leven wiebelt. Soms slingert het zacht heen en weer, zoals een kind op een schommel. Misschien geef je het dan, net als dat kind, vol vertrouwen een extra duwtje, en ga je almaar hoger. Maar het leven kan ook wankelen, een kant op waggelen die je helemaal niet uit wil. Of het kan danig schudden en schokken, zodat je grondvesten daveren.
Op al deze momenten zijn er woorden.
WiebelWoorden zoekt ze samen met je op.
Omdat woorden helpen herinneringen te bewaren en belevenissen te delen. Omdat woorden een houvast bieden. En omdat het bijzonder prettig is woorden aan papier toe te vertrouwen.

Op dit blog vind je vooral woorden terug die binnen in mij wiebelden. Die zich puzzelden tot een anekdote, verhaal of gedicht.
Wiebel tijdens het lezen gerust mee op hun ritme.
Posts tonen met het label dood. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dood. Alle posts tonen

dinsdag 7 mei 2013

In de tuin werken

Enkele huizen verderop is een vrouw van achteraan in de tachtig gestorven. Ik kende haar niet zo goed, want ze was al jaren ziek en kwam haast nooit meer buiten.
Haar man ken ik wel. Hij is klein, krom, stokoud. Maar hij rijdt wel nog dagelijks met zijn fiets naar de winkel. En hij werkt ook regelmatig in zijn voortuin. Dat doet hij trager dan traag. Met elke voorbijganger probeert hij een praatje te maken. Zo kan hij even op adem komen.
Nu zijn vrouw er niet meer is, zie ik hem nog vaker in zijn tuin. Hij hakt onkruid dat nog bijna onzichtbaar is en maait gras dat eigenlijk niet is gegroeid. Hij is nog kleiner, krommer, stokouder.

dinsdag 26 maart 2013

Nieuw op mijn boekenplank


-Rood of waarom pesten niet grappig is/ Jan De Kinder: 'Het is iets van niets. Het is zo klein. Er is niemand die het ziet. Alleen ik.' Een meisje merkt dat Tuur bloost. Ze lacht. Even later lacht de hele klas en wordt Tuur ontzettend gepest. Dat is niet meer grappig. Gelukkig is het meisje dapper en durft ze tegen de juf te vertellen wat er aan de hand is. De Kinder toont hoe klein en onbedoeld pesten vaak begint, maar al snel uitgroeit tot iets reusachtigs. Hij toont ook hoe sterke kinderen dit pesten een halt kunnen toeroepen.
Grijs, zwart, aardetinten, een vleugje groen en natuurlijk rood kleuren niet alleen dit boek, ze insinueren ook alle emoties die bij dit verhaal te pas komen. De Kinder heeft daarnaast weinig lijnen nodig om zijn verhaal te vertellen en de gevoelens van de personages duidelijk te maken. Hij gebruikt af en toe collage- of druktechnieken. Woorden heeft De Kinder evenmin veel nodig, maar degene die hij gebruikt zijn wel steeds raak gekozen. Zo staat er telkens veel meer dan er staat.
Een schitterend boek om met kinderen over pesten, en het stoppen van pestgedrag te praten.
Voor kinderen vanaf 4 jaar.
****

-Warres vleugels/ Inge Bergh en Alain Verster: Ietwat mysterieus, sprookjesachtig,  is dit verhaal over Warre, een jongen die bij zijn vader woont, maar niet aan diens hoge verwachtingen kan voldoen. 'Hier komt niets van je terecht,’  heeft die vader gezegd voor hij hem op pad stuurt, 'Zoek iemand die je af en toe een schop onder je kont geeft. Je moet vooruit!' Warre gaat op zoek naar iemand die hem letterlijk zo'n schop geven wil. En ook al vindt hij die niet, hij leert veel onderweg en ontdekt zijn eigen kracht. Bergh is zuinig met woorden, wat er geen gemakkelijk verhaal van maakt, maar een dat erom vraagt meerdere keren gelezen te worden, zodat het kan groeien, net als poëzie.
De illustraties van Verster sluiten daar perfect bij aan, want zij zijn puur poëzie. Grijze, beige, gele en bruine tinten overheersen de meestal paginagrote prenten, waarin volop herfstbladeren opdwarrelen en vogels rondfladderen. Ook zij moeten meer dan een keer worden bekeken om er ten volle van te kunnen genieten. Wie deze moeite doet ontdekt een bijzonder verhaal over verwachtingen en onmacht, opgroeien en loslaten, en vooral ook liefde.
Voor kinderen vanaf 8 jaar.
****

-Twee tieten in een envelop/ Wim Daniëls: ‘Mag je nog lachen als je moeder doodziek is?’ is de ondertitel van dit boek en meteen een van de vragen die Wietske voortdurend bezig houden, want haar moeder heeft kanker en zal niet lang meer leven. Ze stapt alvast uit de moppenclub op school.
Daniëls vertelt het verhaal van Wietske en haar moeder rechttoe, rechtaan. Scherp. Hij toont de hele ziekte door de ogen van Wietske: hoe haar moeder haar haren verliest, hoe ze hoe langer hoe meer in bed blijft, hoe papa telkens weer ‘gemaakt’ vrolijk doet en hoe Wietskes broer zo boos is dat hij zelfs vergeet lief te zijn voor de moeder zelf, tot Wietske hem enkele dagen voor haar dood bij haar moeder in bed aantreft.
Een levensecht verhaal, nergens overdreven sentimenteel, dat je toch naar de keel grijpt.
Voor kinderen vanaf 10 jaar.
***

-Mijn meneer/ Ted Van Lieshout: Eigen belevenissen zijn de basis van deze roman over de relatie tussen de elfjarige Ted en ‘zijn meneer’. Ted ontdekt een briefje in een kapelletje, waar hij wel eens stopt op weg naar school. Het blijkt er gelegd te zijn door een man die pas in het dorp is komen wonen. Het is het begin van de vriendschap met die man, een vriendschap waarbij de meneer het Ted erg naar de zin wil maken, maar tegelijk telkens meer de grenzen van het toelaatbare overschrijdt. Enerzijds voelt Ted dit aan, anderzijds geniet hij er ook van. Hij durft er in elk geval tegen niemand over te vertellen, behalve tegen Maria uit het kapelletje, die hij brieven schrijft.
In deze roman zijn de brieven gebundeld. Zo slaagt Van Lieshout erin het verhaal volledig vanuit het kind te schrijven, zonder ergens te duiden of te veroordelen. Dat is sterk. Als lezer krijg je hierdoor een genuanceerd beeld. Het ene moment ben je boos op de meneer, dan weer kan je begrip opbrengen voor de relatie. Een roman die met veel moed is geschreven.
Voor volwassenen.
****

 

 

zondag 10 maart 2013

De wijde wereld

Toen de tuin vanmorgen weer even wit zag, zweefden mijn gedachten naar dit moment:

Behoedzaam zette hij een poot op het sneeuwtapijt om hem vliegensvlug terug te trekken en rechtsomkeert te maken. Tot hij het, nadat ik de achterdeur nog verscheidene keren voor hem had geopend, eindelijk aandurfde de witte wereld in te stappen. Traag deed hij dat, poot per poot, voorzichtig, alsof een reusachtig monster vanonder de witte deken tevoorschijn zou kunnen springen om hem zomaar te verslinden.
Het enige echter dat in zijn buurt rondsprong, van tak naar tak in de hibiscus, was een roodborstje.
Pas toen hij dat in de gaten kreeg, vergat hij het gevaar en huppelde enthousiast naar het beestje toe en even later ook de wijde wereld in.

Toen het een dikke maand geleden even lente leek, ging hij opnieuw op pad. Trok hij opnieuw de wijde wereld in. Zonder angst nu.
We hebben hem niet meer teruggezien.

maandag 28 januari 2013

Nieuw op mijn boekenplank

-Groter dan een droom/ Jef Aerts en Marit Törnqvist: een jongetje krijgt voor het eerst zijn overleden zusje op bezoek. Samen maken ze een fietstocht. Het zusje rijdt met haar voeten op het stuur en haar handen in de lucht, want haar kan toch niks meer gebeuren. Aerts vertelt dit alsof dat de doodgewoonste zaak is. Op deze manier creëert hij een ontroerend verhaal dat tegelijk luchtig is. Hij gebruikt een poëtische taal die toch dicht bij het kind staat. De ietwat dromerige illustraties in zachte tinten van Törnqvist tillen de tekst naar een nog hoger niveau.
Een erg bruikbaar prentenboek om met kinderen over verlies te praten.
Voor kinderen vanaf 6 jaar.
****

-De zeepridder/ Kristin in-‘t-Ven en Matthias De Leeuw: Ridder Roger is geen gewone ridder. Hij ziet er graag netjes uit. Hij houdt dan ook van een bad met lekker veel schuim, maar tegelijk van vechten. Op een moment dat hij zelf aan dat bad toe is, roept de koning hem echter op om een draak te verslaan. Een origineel verhaal met soms een vleugje humor, grappige woordspelingen en een verrassend slot. Alleen de vele rijm is storend. De Leeuw zorgde voor fijne ingekleurde lijntekeningen, die ondanks de weinige details subtiel, sfeervol en expressief zijn.
Voor beginnende lezers vanaf 6 jaar. (AVI M4)
***

-Het ding en ik/ Shaun Tan:  een reusachtige bruinrode ketel met tentakels als van een inktvis staat op een drukbevolkt strand, maar niemand merkt het ding op, behalve een jongen die er kroonkurken zoekt voor zijn verzameling. Hij aarzelt, maar neemt het ding dan mee naar huis, wil het later naar het Ministerie van Restjes en Overschotten brengen, en levert het uiteindelijk af op een plek waar nog meer dingen staan. Tot hier het surrealistische verhaal dat vast de fantasie van jonge kinderen prikkelt. Wie al wat ouder is en de tijd neemt om de drukke pagina’s grondiger te bestuderen ontdekt in de bruinrode tekeningen op achtergronden van krantenpapier of uittreksels uit wetenschapsboeken ook een portie maatschappijkritiek. Voor de middenpagina plaatste Tan het ding in schilderijen van Edward Hopper  en John Brack die hij naschilderde.
Voor kinderen vanaf 6 jaar en volwassenen.
****

-Koningskind/ Karen Curé: 1975. Er is een nieuwe leerling in het zesde leerjaar, Florentine. Ze komt uit Burundi en zou de dochter van een prins zijn. Van in het begin klikt het niet tussen haar en Leentje, het hoofdpersonage van dit boek. Ook met de nieuwe juf, die met twee met maten en twee gewichten weegt, heeft Leentje het moeilijk. Ze komt in opstand. Dan is Leentjes hond spoorloos, valt het kersttoneel in duigen door een overstroming en blijkt een naburig dorp nog erger onder water te staan. Er gebeurt ontzettend veel in dit verhaal wat ten koste is van de spanningsboog. Soms klinkt het ongeloofwaardig. Dit boek moet het dan ook meer van de schrijfstijl hebben. Curé weet de sfeer van de jaren zeventig ontzettend mooi neer te zetten in korte zinnen, met prachtige beelden en vergelijkingen, veel suggestie en op tijd en stond wat humor.
Voor kinderen vanaf 11 jaar en ‘meisjes’ die zelf kind waren in de jaren zeventig.
***

 

 

maandag 21 januari 2013

Bright Eyes

Omdat je negenentwintig jaar geleden op de tonen van Garfunkels 'Bright Eyes' samen met je man de dans opende, zou dit lied je urne naar het altaar begeleiden, maar na een lange stilte weerklinkt alleen gekraak uit de luidsprekers. Achter me schuifelen voeten. De dame met haar vilten hoedje voor me zucht. Het koor zet dan maar een 'Kyrie Eleison' in. Dat kraakt nog harder. De kale mijnheer naast me kijkt me nee-schuddend aan. Ik voel hoe de boosheid die in hem pruttelt, om jouw veel te vroege, plotse dood, nu bijna overkookt. Even later galmt Garfunkels stem toch door de kerk.Voor je familie ben ik blij dat het nog is gelukt, want zij hebben de muziek voor deze afscheidsviering met zoveel zorg uitgekozen. Maar weet je, D., wel of geen 'Bright Eyes', eigenlijk doet het er niet toe. Jouw ogen schitteren toch...

zaterdag 22 december 2012

Nieuw op mijn boekenplank

Hond bijt wolf / Sylvia Vanden Heede en Marije Tolman: het zit Hond niet mee. Hij heeft een bot, maar Wolf wil het ook. Bovendien haalt zijn baas Pup in huis. Daar is hij allesbehalve blij mee. Maar dan krijgt hij een idee. Als Wolf op Pup past, geeft hij hem een bot in ruil. En zo gebeurt het. Tot Hond wroeging krijgt… In dit derde boek in de reeks over Wolf en Hond puzzelt Vanden Heede de korte woorden die onze taal rijk is tot eenvoudige zinnen, en knutselt ze deze zinnen tot een amusant, soms grappig en boeiend verhaal voor beginnende lezers (AVI start tot M3). De expressieve, kleurrijke en vrolijke illustraties van Tolman zorgen ervoor dat deze lezers tussen het smullen van de woorden door regelmatig even tot rust kunnen komen.
Voor kinderen vanaf 7 jaar.
***

Papa, hoor je me? / Tamara Bos en Annemarie van Haeringen: Polles papa is pas overleden. Op zijn eenvoudige, kinderlijke manier haalt Polle herinneringen op aan de periode toen zijn papa ziek was en vertelt hij wat er gebeurt tot aan de crematie. Hij is hierbij zo eerlijk het ook over de dingen te hebben die hij niet leuk vond aan zijn papa. Dit maakt het verhaal meteen levensecht en herkenbaar. Bos brengt het verdriet van het kind bijzonder fijngevoelig onder woorden, zonder ook maar ergens te vervallen in volwassen sentiment. Ze gebruikt hierbij een verbazend lichte en luchtige taal. Ze vergelijkt de ziekte van Polles papa met een eindeloos stratego. Deze metafoor trekt van Haeringen knap door in de illustraties. Ze laat rode en blauwe stratego-mannetjes met elkaar vechten, waarbij de blauwen verliezen en hun stratego-vriend ten grave dragen. Door de soberheid en oprechtheid raakt dit boek je diep. Het kan een gesprek openen met wie ook iemand heeft verloren. Een aanrader!
Voor kinderen vanaf 8 jaar.
****

De reus van de zomerflat / Stefan Boonen en Tom Schoonooghe: in de zomerflat waar Albert Lofloos woont, gebeurt nooit wat tot er deze zomer plots heel veel gebeurt. Boonen weeft twee verhalen door elkaar: het fantasierijke over de ontmoeting met reus, Pjiep, en het realistische over hoe de bewoners zomaar uit hun flat worden gezet. Hij snijdt hierbij heel wat thema’s aan als armoede, verwaarlozing, vriendschap, eenzaamheid, de gevolgen van de opwarming van de aarde,… Dit gebeurt erg suggestief waardoor jonge lezers ze waarschijnlijk niet allemaal vatten. De spanning in het verhaal krijgen ze sowieso wel mee. De reus spreekt een originele eigen taal wat vaak voor droge, grappige dialogen zorgt. De sobere en eigenzinnige illustraties van Schoonooghe vormen een mooie aanvulling bij de tekst. Een zomers verhaal dat ook in de winter kan worden gesmaakt.
Voor kinderen vanaf 10 jaar.
***

Help me herinneren / Bernlef: herinneringen lopen als rode draad doorheen het oeuvre van Bernlef en met deze negentien verhalen over herinneren en vergeten meteen ook doorheen zijn allerlaatste boek (Bernlef overleed op 29/10/2012). In het titelverhaal krijgt een Italiaanse ober in New York brieven van zijn analfabete moeder. Ze dicteert de brieven aan een dorpsgenote, maar ook als er iets gebeurt waardoor de moeder niet meer kan praten, blijft de ober brieven vol herinneringen ontvangen. Andere vertellen o.a. over een jazzpianist die van de aardbodem verdwijnt, een jongeman die verliefd wordt op de geur van zijn werkster die hij nog nooit in levende lijve heeft gezien, een man die tijdens een reünie uitkijkt naar een verloren geliefde die helaas lang geleden blijkt omgekomen te zijn bij een verkeersongeluk,… De verhalen kenmerken zich doordat ze het vooral van de sfeer moeten hebben. De hoofdpersonages spreken vaak met dezelfde stem. Is dit de auteur die we tussen de regels horen? Zeker bij het verhaal ‘Na mijn begrafenis’, waarin een zekere Henk, die wel erg veel op Bernlef lijkt, zich in het hiernamaals afvraagt of herinneringen betrouwbaar zijn, blijft deze vraag nazinderen.
Voor volwassenen
***

zondag 9 december 2012

Vijfenveertig (44)

Afscheid van Maria

Onbeweeglijk ligt Maria in het grote ziekenhuisbed. Haar huid is dun en breekbaar als de varkensblaas die ik eens in een museum zag. Naast het bed zitten haar broer en zus.
‘Het gaat niet goed,’ fluistert haar broer me toe.
Als ik me over haar buig opent ze even haar ogen. Als ik haar hand vastneem beweegt ze haar bovenlip. Het lijkt alsof ze me iets zeggen wil, maar er komt geen klank. Dan ligt ze weer zo onbeweeglijk als eerst.
‘Ze slaapt bijna de hele dag,’ vertelt haar zus, ‘En de weinige momenten waarop ze wakker is, staart ze maar voor zich uit.’
Twee verpleegsters stappen de kamer binnen. ‘Kunnen jullie even op de gang wachten? We moeten haar verzorgen.’
Op de gang pinkt haar zus een traan weg. ‘Ze praat niet meer. Zelfs als we iets vragen reageert ze niet.’
De verpleegsters vliegen ons voorbij. ‘Je mag weer binnen, hoor!’
Maria ligt nu nog onbeweeglijker dan daarnet.
Haar broer loopt op haar af en legt zijn hand op haar voorhoofd. ‘ ’t Is… voorbij,’ stamelt hij, ‘Helemaal… voorbij.’
Het dringt niet meteen tot me door wat hij bedoelt. Tot hij de verpleegsters terugroept en er even later ook een dokter de kamer binnenstormt…
‘Ze heeft op jou gewacht,’ zegt haar broer me wel tien keer, ‘Ze moest je nog zien. Je betekende zoveel voor haar.’
Ik draai wat in het rond. Ik voel me een indringer. De familie zou dit moment onder hen moeten kunnen beleven. Daarom zeg ik dat ze me mogen bellen als ik met iets kan helpen en verdwijn stilletjes.
Ik loop, zoals ik had gepland, de stad in. Maar een deel van mij blijft op de ziekenhuiskamer. Een deel van mij blijft bij Maria.
Maria, die zo'n twee jaar geleden voor het eerst het dagcentrum binnenstapte en in mijn groep terechtkwam. Die ondanks dat ze altijd thuis had gewoond enthousiast mee kookte en knutselde en zijden sjaals schilderde. Die altijd van een babbeltje hield. Die zo graag lachte en anderen fopte. Die het de max vond zich te verkleden. Maria die in de kortste keren ieders hart veroverde. Die veel te snel ziek werd, heel erg ziek. Die tussen de ziekenhuisperiodes door nog het dagcentrum bezocht en probeerde zoveel mogelijk aan alles deel te nemen. Die steeds sneller moe werd. Vaak terug naar het ziekenhuis moest. Die enkele weken geleden nog zo blij was omdat de Sint ook op haar ziekenhuiskamer langskwam. Maria die daarstraks nog even in mijn ogen keek. Die op me heeft gewacht…

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

dinsdag 4 december 2012

Vijfenveertig (39)

De laatste avond

We hebben met H. en R. afgesproken om een nieuw restaurantje uit te proberen, maar eerst wippen Manlief en ik nog even bij meter binnen. De laatste weken komt ze haast niet meer haar bed uit. Ze heeft last van doorligwonden. Eet nog weinig. En ligt daar maar wat voor zich uit te staren. Hoewel er meestal toch even een glans in haar ogen verschijnt als we binnenkomen.
Vandaag gebeurt dat niet. Ze draait en keert op haar matras.
‘Ma… Ve.e…’, zegt ze. Er volgen een heleboel klanken waar ik niet wijs uit geraak. Ze wroet nog heviger.
Ik neem haar handen vast. ‘Rustig, meter.’ Streel haar voorhoofd. Ze heeft de huid op haar wangen en kin de voorbije dagen danig kapot gekrabd. ‘Wat scheelt er toch?’
Een vol brikje Fortimel staat op het tafeltje naast haar bed.
‘Moet je niet wat drinken?’ probeer ik.
Ze draait haar hoofd weg. ‘Ma… Ve.e…’
Net als ik begrijpt Manlief geen snars van wat ze ons wil duidelijk maken.
Ik loop even bij de verzorgsters langs. ‘Is er iets gebeurd misschien? Meter is zo onrustig.’
‘Nee,’ verzekeren ze me, ‘alles is normaal.’
‘Maar haar Fortimel staat er nog.’
‘Ja, ze eet de laatste dagen wat minder. Dat betert wel weer. Ook bij de andere oudjes zien we dat. Hun eetlust gaat op en af.’
Als ik weer op haar kamer kom, kraamt meter nog steeds de vreemdste klanken uit. ‘Ma…Ve.e.’ komt altijd opnieuw terug. Ook Manlief slaagt er niet in meter wat te kalmeren.
Met een slecht gevoel drukken we uiteindelijk een zoen op haar wang en rijden naar het restaurant.
Ik vertel H. en R. dat het niet goed gaat met meter. Ze luisteren. Proberen me gerust te stellen. Na even hebben we het ook over andere dingen. Ik geniet van de avond en het lekkers.

De volgende dag ben ik alleen thuis als de telefoon rinkelt. Het is tante A.
‘Ik heb slecht nieuws,’ zegt ze, ‘Het rusthuis heeft me net gebeld. Meter is gestorven.’
‘Ma…Ve.e... Ma…Ve.e...’ klinkt het telkens weer in mijn hoofd.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

vrijdag 23 november 2012

Vijfenveertig (28)

Forever young

‘Forever young
I wanna be
Forever young
Do you really want to live forever?
Forever
Forever young…' neurie ik met Alphaville op de radio mee, als ik van een studiedag in Nederland naar huis rij. Even doet al wat ik vandaag mocht ervaren en leren er niet meer toe, want de muziek voert me naar de dorpskerk in Muizen meer dan vijfentwintig jaar geleden.

Ook daar weerklinkt Alphaville.

‘But sooner or later they all will be gone.
Why don’t they stay young?...’
De kerk is stampvol. Ik zit op een van de laatste rijen. In het midden vooraan staat een kist. Ik kan niet geloven dat jij daarin ligt. En ik kan nog minder geloven dat jij daar zelf voor hebt gekozen. De zon schijnt flauw door de lange smalle kerkramen alsof je naar al deze mensen hier glimlacht. Maar dat klopt niet, want je glimlachte nooit. Jij lachte altijd voluit, met je hele mond, je hele gezicht, en zelfs je hele lijf. Je was altijd de vrolijkste van de bende. Ik kan de controverse tussen jouw speelse zelf en deze keiharde dood maar moeilijk hanteren.
Als ik na de mis op het kerkplein met Luc en Gerda praat merk ik dat ze met hetzelfde gevoel zitten. Hierbuiten schijnt de zon fel, maar het is wel bitterkoud, alsof je schaterlacht en ons tegelijk goed hebt liggen. En dat plaatje klopt wel, want je was altijd de eerste om iemand beet te nemen. Neem je ons ook met je dood beet?

Een rood waarschuwingsbord katapulteert me weer naar vandaag op de Nederlandse snelweg. Langzaam komen de verhalen van de studiedag terug. Maar ook je volle lach rijdt nog met me mee. Zoals steeds als Alphaville door de boxen galmt.
'Youth is like diamonds in the sun
And diamonds are forever…’

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

zondag 4 november 2012

Vijfenveertig (9)

De begrafenis van den bompa

Ik heb den bompa niet zo goed gekend. Hij was dan ook niet mijn bompa, maar den bompa van mijn nichten K. en G. Als ik bij hen op bezoek was zag ik hem. Hij zat dan altijd in dezelfde zetel in de salon.
Vroeger is hij een sterke man geweest, vertelde tante E. me eens. Hij was een beenhouwer. Ooit is hij naar Amerika gereisd. G. heeft een paardje met een indiaan op dat hij daarvandaan heeft meegebracht. Amerika is wel erg ver weg. Ik heb den bompa dan ook altijd bewonderd omdat hij daar naartoe durfde.
Maar nu is den bompa dus dood.
Deze voormiddag toen ik op school zat was er een mis. Daarna ging iedereen naar het kerkhof. En nu is er nog een begrafenismaal in ‘’t Rerum’. Ons vake pikt me zo meteen hier op school op en dan moet ik daar mee naartoe. Mieren lopen af en aan in mijn buik.

Ons vake parkeert onze auto in de straat van ‘’t Rerum’. We moeten nog een heel eind stappen, want vandaag staan hier heel veel wagens geparkeerd. Hoe gaat dat eraan toe, zo’n begrafenismaal? Moet je de hele tijd bidden? En moet je er verdrietig uitzien? De mieren kruipen ondertussen al tot in mijn keel.
Vlak voor we binnenstappen trek ik mijn triestigste gezicht. Ik twijfel even of ik ook zou wenen, maar dat doe ik toch maar niet. Ik hoop dat het goed is zo. Tante E. glimlacht naar me als ik haar gedag zeg, en ook de andere mensen die ik ken kijken me vriendelijk aan. Ze huilen of bidden niet, maar praten en eten pistolets. Ik krijg er ook een. Als die op is eet ik nog enkele koffiekoeken. De mieren in me vallen ervan in slaap. Mijn mondhoeken kruipen vanzelf ook weer naar boven. Na het eten wordt er verder gepraat. De meesten drinken ook nog iets. Dit maal heeft iets gezelligs. Alleen hebben K. en G. precies niet zoveel zin om met me te spelen. Daardoor duurt het me allemaal toch wat te lang. Ik ben blij als we -bij de laatsten- eindelijk naar huis gaan.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.