Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast


Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast.

Het leven wiebelt. Soms slingert het zacht heen en weer, zoals een kind op een schommel. Misschien geef je het dan, net als dat kind, vol vertrouwen een extra duwtje, en ga je almaar hoger. Maar het leven kan ook wankelen, een kant op waggelen die je helemaal niet uit wil. Of het kan danig schudden en schokken, zodat je grondvesten daveren.
Op al deze momenten zijn er woorden.
WiebelWoorden zoekt ze samen met je op.
Omdat woorden helpen herinneringen te bewaren en belevenissen te delen. Omdat woorden een houvast bieden. En omdat het bijzonder prettig is woorden aan papier toe te vertrouwen.

Op dit blog vind je vooral woorden terug die binnen in mij wiebelden. Die zich puzzelden tot een anekdote, verhaal of gedicht.
Wiebel tijdens het lezen gerust mee op hun ritme.
Posts tonen met het label school. Alle posts tonen
Posts tonen met het label school. Alle posts tonen

maandag 28 januari 2013

Nieuw op mijn boekenplank

-Groter dan een droom/ Jef Aerts en Marit Törnqvist: een jongetje krijgt voor het eerst zijn overleden zusje op bezoek. Samen maken ze een fietstocht. Het zusje rijdt met haar voeten op het stuur en haar handen in de lucht, want haar kan toch niks meer gebeuren. Aerts vertelt dit alsof dat de doodgewoonste zaak is. Op deze manier creëert hij een ontroerend verhaal dat tegelijk luchtig is. Hij gebruikt een poëtische taal die toch dicht bij het kind staat. De ietwat dromerige illustraties in zachte tinten van Törnqvist tillen de tekst naar een nog hoger niveau.
Een erg bruikbaar prentenboek om met kinderen over verlies te praten.
Voor kinderen vanaf 6 jaar.
****

-De zeepridder/ Kristin in-‘t-Ven en Matthias De Leeuw: Ridder Roger is geen gewone ridder. Hij ziet er graag netjes uit. Hij houdt dan ook van een bad met lekker veel schuim, maar tegelijk van vechten. Op een moment dat hij zelf aan dat bad toe is, roept de koning hem echter op om een draak te verslaan. Een origineel verhaal met soms een vleugje humor, grappige woordspelingen en een verrassend slot. Alleen de vele rijm is storend. De Leeuw zorgde voor fijne ingekleurde lijntekeningen, die ondanks de weinige details subtiel, sfeervol en expressief zijn.
Voor beginnende lezers vanaf 6 jaar. (AVI M4)
***

-Het ding en ik/ Shaun Tan:  een reusachtige bruinrode ketel met tentakels als van een inktvis staat op een drukbevolkt strand, maar niemand merkt het ding op, behalve een jongen die er kroonkurken zoekt voor zijn verzameling. Hij aarzelt, maar neemt het ding dan mee naar huis, wil het later naar het Ministerie van Restjes en Overschotten brengen, en levert het uiteindelijk af op een plek waar nog meer dingen staan. Tot hier het surrealistische verhaal dat vast de fantasie van jonge kinderen prikkelt. Wie al wat ouder is en de tijd neemt om de drukke pagina’s grondiger te bestuderen ontdekt in de bruinrode tekeningen op achtergronden van krantenpapier of uittreksels uit wetenschapsboeken ook een portie maatschappijkritiek. Voor de middenpagina plaatste Tan het ding in schilderijen van Edward Hopper  en John Brack die hij naschilderde.
Voor kinderen vanaf 6 jaar en volwassenen.
****

-Koningskind/ Karen Curé: 1975. Er is een nieuwe leerling in het zesde leerjaar, Florentine. Ze komt uit Burundi en zou de dochter van een prins zijn. Van in het begin klikt het niet tussen haar en Leentje, het hoofdpersonage van dit boek. Ook met de nieuwe juf, die met twee met maten en twee gewichten weegt, heeft Leentje het moeilijk. Ze komt in opstand. Dan is Leentjes hond spoorloos, valt het kersttoneel in duigen door een overstroming en blijkt een naburig dorp nog erger onder water te staan. Er gebeurt ontzettend veel in dit verhaal wat ten koste is van de spanningsboog. Soms klinkt het ongeloofwaardig. Dit boek moet het dan ook meer van de schrijfstijl hebben. Curé weet de sfeer van de jaren zeventig ontzettend mooi neer te zetten in korte zinnen, met prachtige beelden en vergelijkingen, veel suggestie en op tijd en stond wat humor.
Voor kinderen vanaf 11 jaar en ‘meisjes’ die zelf kind waren in de jaren zeventig.
***

 

 

vrijdag 16 november 2012

Vijfenveertig (21)

De vlek

We zijn de enige klas die nog op de speelplaats staat. Juffrouw D.B. wacht tot we netjes op twee rijen staan, met onze armen over elkaar, en tot we muisstil zijn. Net als dat lukt, kraait er een haan.
Met een commandantenblik stapt onze juffrouw tussen de rijen. W. krijgt een tik omdat haar voet net iets buiten de tegel komt waar ze op hoort te staan.
Als onze juffrouw D. passeert, zucht ze. ‘Is het weer van dat?’
Al onze gezichten draaien naar D. D. richt haar ogen op de grond. Op haar lange witte rok is een grote bruinrode vlek.
‘Heb je verband bij?’ gaat de juffrouw verder.
‘Nee…,’ knikt D. aarzelend. Ze krimpt in elkaar.
Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. De vorige keer had ik geen idee waar die plek vandaan kwam. Maar ondertussen weet ik het. Ik vroeg het aan ons moeke en ze heeft het me allemaal verteld. D. heeft haar maandstonden.
Juffrouw D.B. zegt dat we rustig naar de klas mogen gaan. Maar D. mag niet mee. Ze moet eerst naar de directrice. Ze durft niemand meer aankijken. Ze weent bijna.
Eigenlijk is dat toch niet nodig? Natuurlijk is die vlek niet plezant. Maar het betekent wel dat ze al groot is. Ik zou ook al groot willen zijn. Alleen zou ik dan geen witte rok dragen.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

dinsdag 6 november 2012

Vijfenveertig (11)

Kijkstage

Twaalf jaar na de eerste keer volg ik juffrouw Maria opnieuw op de trap met de rode leuning. Alleen is die trap lang niet meer zo breed als toen. De leuning is ook een flink pak lager. Op de speelplaats was het me al opgevallen dat die heel wat kleiner is geworden, en dat het bureau van zuster Pancratia ondertussen een bureautje werd. Zuster Pancratia zelf is hier niet meer te bespeuren. Juffrouw Maria vertrouwt me toe dat het ook voor haar haar laatste schooljaar is. Eigenlijk is ze hier blij om.
‘Het is erg veranderd sinds jullie bij mij in de klas zaten, hoor!’ zucht ze, ‘Jullie waren de laatste generatie brave leerlingen. Wat ze tegenwoordig allemaal durven uitsteken… En wat ze van ons eisen…de ouders, de regering,…’
Niet meteen opbeurend nieuws voor de eerstejaarsstudent lerarenopleiding die ik ben, maar ik laat de moed niet zakken. Juffrouw Maria is gewoon moe, sus ik mezelf.
In het klasje herken ik meteen de grote zandtafel. Erin staat een maquette van de school zoals wij die ook nog hebben gemaakt. De klaspop, Joke zit nog net als vroeger op de kast, maar aan de muur hangen niet meer de woordjes ‘an’ en ‘jan’, wel ‘ik’, ‘maan’, ‘roos’, ‘vis’,…
Zodra de schoolbel luidt, wring ik me op een bankje helemaal achteraan en haal mijn cursusblok te voorschijn.
De kinderen kijken me nieuwsgierig aan als ze het lokaal binnenkomen.
‘Dat is Veerle,’ zegt juffrouw Maria, ‘Ze heeft hier ook nog bij mij in de klas gezeten. Nu wil ze zelf juf worden en daarom komt ze eens kijken.’
Ik noteer de dingen die me opvallen. Regelmatig draait een hoofdje zich om en glimlacht een mond verlegen. Dat deze leerlingen niet meer braaf zijn, merk ik niet.
Juffrouw Maria geeft les op de manier die ik me herinner. Veel moeite moet ik dan ook niet doen om me weer het eersteklassertje van toen te voelen.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.

maandag 5 november 2012

Vijfenveertig (10)

Mijn eerste grote-schooldag

Zodra ik de speelplaats opstap zoek ik Ilse. Zij is de enige in de hele school die ik, naast mijn broertje, al een beetje ken. Ze is een nichtje van Wim en was op zijn feestje. Toen haar moeke in het ziekenhuis lag, logeerde ze bij hem. Ze heeft toen enkele weken in mijn klas gezeten. We hebben samen stiekem van het zandbakzand geproefd. Erg lekker was dat niet. Het knarste vooral tussen onze tanden.
Maar ik vind haar niet. Toen we in de vakantie al eens in deze school kwamen kijken, was de speelplaats grijs en stil. Nu is ze een en al kleur en lawaaierig. Meer kinderen dan ik ooit bij elkaar heb gezien, springen er voortdurend in het rond. Zelf sta ik er maar wat beteuterd bij. Iets drukt zwaar op mijn borst.
Ik ben opgelucht als het belt. Meteen loop ik naar de plek die zuster Pancratia me in de vakantie heeft getoond. ‘Hier staat de rij van het eerste leerjaar,’ had ze gezegd.
Daar zie ik Ilse eindelijk. ‘Dag,’ zeg ik blij.
Ze lacht flauwtjes terug.
Al gauw is onze juffrouw er. Ze toont ons hoe we flink in twee rijen moeten staan.
‘Zo meteen gaan we naar de klas,’ legt ze uit, ‘daar mag je allemaal een plaats uitkiezen. Kom maar mee.’
Onze juffrouw gaat door de grote deur naast het bureau van zuster Pancratia naar binnen. Als hondjes lopen we achter haar aan. We volgen haar op de brede trap met de rode leuning. Van in de vakantie herinner ik me dat de klas vol banken voor twee staat. Nu al beslis ik dat ik naast Ilse wil zitten. Ik blijf dan ook dicht in haar buurt. Ilse zelf heeft meer oog voor een ander kindje.
In de klas wring ik me tussen Ilse en dat andere kindje op de bank naast Ilse. Het andere kindje zet zich dan maar op de bank voor ons neer. Ze heet Ann. Het meisje achter mij heet Nadia.‘Kindje,’ roept ze steeds als ze me iets wil zeggen.
Tijdens de speeltijd speel ik met haar en anderen waarvan ik de naam nog niet ken.
Onze juffrouw is een lieve. Ze vertelt veel en leert ons lezen. ‘an’ en ‘jan’ kan ik nu al lezen.
Fier ga ik om vier uur naar huis. Ik vertel ons moeke dat ik al veel vriendjes heb.

Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.