Drie-eenheid
Haar had ik het eerst leren kennen. Ze was vrijwilligster bij dezelfde organisatie als ik. We zaten er in dezelfde werkgroep. We bereidden samen boeiende vormingsmomenten voor en staken ludieke studiedagen in elkaar.
Toen ze me aan haar vriend voorstelde klikte het ook met hem meteen.
Terwijl ik met haar uren aan de telefoon hing, en we naast ons vrijwilligerswerk ook regelmatig samen gingen markten, draaiden mijn contacten met hem meer rond muziek. Hij nam zowat zijn hele platencollectie op cassetjes voor me op. We konden ook goed over zijn gehandicapte broertje praten. En op momenten waarop zij naar haar werk was, trokken we wel eens naar een zwemvijver in de buurt, waar we dan lekker in het zonnetje lagen en stoeiden in het water.
Onder ons drietjes gingen we regelmatig een hapje eten, zaten we urenlang op café te kletsen, en natuurlijk gingen we ook samen uit. Wij drieën, dat voelde echt goed.
Na een fuif bracht hij mij normaalgezien het eerst naar huis, maar dit keer wilde hij het andersom, zogezegd omdat ik dichter in zijn buurt woonde. Maar toen zij al thuis was afgezet, reed hij mijn straat zomaar voorbij.
‘Wat doe je nu?’ vroeg ik.
‘Ach…’ Hij draaide zijn gezicht. Zijn ogen fonkelden. ‘Het is nog vroeg. Ik wil nog wat praten…’
Hij parkeerde zijn wagen op een verlaten pleintje wat verderop. Opnieuw keerde hij zijn gezicht naar me toe. Ik glimlachte ongemakkelijk. Wilde iets zeggen, maar vond de juiste woorden niet, alsof ze zich hadden verstopt in het donker om ons heen. Ook hij zei niks. Hij keek me alleen doordringend aan.
‘Het is fris,’ stamelde ik toch na een tijd. Maar meteen had ik daar spijt van, want dit was wel het stomste dat ik had kunnen zeggen.
Hij zag er een teken in om dichterbij te komen en zijn arm om mijn schouders te slaan. Ik schoof wat naar het portier toe. Hij pakte mijn gezicht vast, streelde het en probeerde het te kussen.
‘Denk aan haar…’ prevelde ik.
‘Ze hoeft dit toch niet te weten,’ wierp hij tegen.
Hij drukte zijn lichaam op het mijne.
Maar ik had de klink al in mijn hand. Ik wrong me onder hem uit en opende de autodeur.
‘Doe niet zo gek,’ zei hij daarop. Hij zette zich weer recht op zijn stoel.
Toen werd het stil. En het bleef stil tot ik na vele lange minuten opnieuw aanstalten maakte om uit te stappen. ‘Ik ga wel te voet.’
Hij hield me tegen. ‘Geen sprake van. Ik breng je.’ Zijn motor startte.
Voor ons huis drukte ik nog, als anders, een zoen op zijn wang. Nu was hij het die terugtrok.
Toen ik haar de volgende dag opbelde, antwoordde ze nogal bot. Toen ik wilde afspreken om samen iets leuks te doen, scheepte ze me zomaar af. En voor de vrijwilligersorganisatie had ze plots geen energie meer.
Ik hoef niet te raden wat hij haar heeft verteld.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast
Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast.
Het leven wiebelt. Soms slingert het zacht heen en weer, zoals een kind op een schommel. Misschien geef je het dan, net als dat kind, vol vertrouwen een extra duwtje, en ga je almaar hoger. Maar het leven kan ook wankelen, een kant op waggelen die je helemaal niet uit wil. Of het kan danig schudden en schokken, zodat je grondvesten daveren.
Op al deze momenten zijn er woorden.
WiebelWoorden zoekt ze samen met je op.
Omdat woorden helpen herinneringen te bewaren en belevenissen te delen. Omdat woorden een houvast bieden. En omdat het bijzonder prettig is woorden aan papier toe te vertrouwen.
Op dit blog vind je vooral woorden terug die binnen in mij wiebelden. Die zich puzzelden tot een anekdote, verhaal of gedicht.
Wiebel tijdens het lezen gerust mee op hun ritme.
Posts tonen met het label vrienden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vrienden. Alle posts tonen
maandag 26 november 2012
maandag 12 november 2012
Vijfenveertig (17)
Een nieuw vriendinnetje
Urenlang al klop ik in mijn eentje met mijn raket tegen de bal van mijn jokari. De andere kinderen van onze straat spelen blijkbaar niet buiten vandaag. Plots staat er toch iemand naast me. Een klein meisje met een groot hoofd en korte armen die als worstjes aan haar lijf hangen. Ik heb haar nog nooit eerder gezien. Ze heeft bolle wangen. Haar ogen staan ver uit elkaar en puilen wat uit, maar glimmen ook. Haar lach is nog groter dan haar gezicht. Ze lijkt me ouder dan ikzelf, maar ze is heel wat kleiner.
‘Wie ben je?’ vraagt ze, en vervolgt voor ik kan antwoorden met: ‘Ik ben Sonja, de tante van Koen van hier achter de hoek. Ik logeer dit weekend bij hem.’
Koen is nog een kleuter. Daarom speel ik nooit met hem, maar ik weet wel waar hij woont.
‘Mag ik ook eens proberen?’ Sonja waggelt op haar korte beentjes naar me toe. Haar lach groeit nog. Hij strekt zich nu uit over haar hele lijfje.
Het lukt haar niet tegen de bal te slaan. Mijn tennisraket is te groot voor haar. Toch blijft ze lachen. Ik haal mijn autoped uit de garage. Traag rij ik rond het grasplein, terwijl Sonja een stukje voor me uit loopt. Haar dikke poep schudt heftig heen en weer. Na een poosje wisselen we. Maar Sonja geraakt ook met de autoped niet goed weg. Het stuur staat immers te hoog. We zetten ons naast elkaar in het gras en tateren erop los. Sonja praat soms zo snel dat ik niet kan volgen. Maar ze vindt het niet erg de dingen twee of zelfs drie keer voor me te herhalen. Bijna de hele tijd schateren we het uit.
Als ons moeke me ’s middags roept om te komen eten, vraag ik: ‘Spelen we straks weer samen?’
Maar Sonja gaat deze namiddag met de familie van Koen naar de stad. Ze belooft me wel er de volgende morgen opnieuw te zijn. Ik kijk er al naar uit. Ik hoop ook dat ze nog vele weekends komt logeren.
‘Ik heb een nieuw vriendinnetje,’ vertel ik aan tafel, ‘Ze ziet er wat vreemd uit, maar nog nooit heb ik zo hard gelachen als met haar.’
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Urenlang al klop ik in mijn eentje met mijn raket tegen de bal van mijn jokari. De andere kinderen van onze straat spelen blijkbaar niet buiten vandaag. Plots staat er toch iemand naast me. Een klein meisje met een groot hoofd en korte armen die als worstjes aan haar lijf hangen. Ik heb haar nog nooit eerder gezien. Ze heeft bolle wangen. Haar ogen staan ver uit elkaar en puilen wat uit, maar glimmen ook. Haar lach is nog groter dan haar gezicht. Ze lijkt me ouder dan ikzelf, maar ze is heel wat kleiner.
‘Wie ben je?’ vraagt ze, en vervolgt voor ik kan antwoorden met: ‘Ik ben Sonja, de tante van Koen van hier achter de hoek. Ik logeer dit weekend bij hem.’
Koen is nog een kleuter. Daarom speel ik nooit met hem, maar ik weet wel waar hij woont.
‘Mag ik ook eens proberen?’ Sonja waggelt op haar korte beentjes naar me toe. Haar lach groeit nog. Hij strekt zich nu uit over haar hele lijfje.
Het lukt haar niet tegen de bal te slaan. Mijn tennisraket is te groot voor haar. Toch blijft ze lachen. Ik haal mijn autoped uit de garage. Traag rij ik rond het grasplein, terwijl Sonja een stukje voor me uit loopt. Haar dikke poep schudt heftig heen en weer. Na een poosje wisselen we. Maar Sonja geraakt ook met de autoped niet goed weg. Het stuur staat immers te hoog. We zetten ons naast elkaar in het gras en tateren erop los. Sonja praat soms zo snel dat ik niet kan volgen. Maar ze vindt het niet erg de dingen twee of zelfs drie keer voor me te herhalen. Bijna de hele tijd schateren we het uit.
Als ons moeke me ’s middags roept om te komen eten, vraag ik: ‘Spelen we straks weer samen?’
Maar Sonja gaat deze namiddag met de familie van Koen naar de stad. Ze belooft me wel er de volgende morgen opnieuw te zijn. Ik kijk er al naar uit. Ik hoop ook dat ze nog vele weekends komt logeren.
‘Ik heb een nieuw vriendinnetje,’ vertel ik aan tafel, ‘Ze ziet er wat vreemd uit, maar nog nooit heb ik zo hard gelachen als met haar.’
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
maandag 5 november 2012
Vijfenveertig (10)
Mijn eerste grote-schooldag
Zodra ik de speelplaats opstap zoek ik Ilse. Zij is de enige in de hele school die ik, naast mijn broertje, al een beetje ken. Ze is een nichtje van Wim en was op zijn feestje. Toen haar moeke in het ziekenhuis lag, logeerde ze bij hem. Ze heeft toen enkele weken in mijn klas gezeten. We hebben samen stiekem van het zandbakzand geproefd. Erg lekker was dat niet. Het knarste vooral tussen onze tanden.
Maar ik vind haar niet. Toen we in de vakantie al eens in deze school kwamen kijken, was de speelplaats grijs en stil. Nu is ze een en al kleur en lawaaierig. Meer kinderen dan ik ooit bij elkaar heb gezien, springen er voortdurend in het rond. Zelf sta ik er maar wat beteuterd bij. Iets drukt zwaar op mijn borst.
Ik ben opgelucht als het belt. Meteen loop ik naar de plek die zuster Pancratia me in de vakantie heeft getoond. ‘Hier staat de rij van het eerste leerjaar,’ had ze gezegd.
Daar zie ik Ilse eindelijk. ‘Dag,’ zeg ik blij.
Ze lacht flauwtjes terug.
Al gauw is onze juffrouw er. Ze toont ons hoe we flink in twee rijen moeten staan.
‘Zo meteen gaan we naar de klas,’ legt ze uit, ‘daar mag je allemaal een plaats uitkiezen. Kom maar mee.’
Onze juffrouw gaat door de grote deur naast het bureau van zuster Pancratia naar binnen. Als hondjes lopen we achter haar aan. We volgen haar op de brede trap met de rode leuning. Van in de vakantie herinner ik me dat de klas vol banken voor twee staat. Nu al beslis ik dat ik naast Ilse wil zitten. Ik blijf dan ook dicht in haar buurt. Ilse zelf heeft meer oog voor een ander kindje.
In de klas wring ik me tussen Ilse en dat andere kindje op de bank naast Ilse. Het andere kindje zet zich dan maar op de bank voor ons neer. Ze heet Ann. Het meisje achter mij heet Nadia.‘Kindje,’ roept ze steeds als ze me iets wil zeggen.
Tijdens de speeltijd speel ik met haar en anderen waarvan ik de naam nog niet ken.
Onze juffrouw is een lieve. Ze vertelt veel en leert ons lezen. ‘an’ en ‘jan’ kan ik nu al lezen.
Fier ga ik om vier uur naar huis. Ik vertel ons moeke dat ik al veel vriendjes heb.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Zodra ik de speelplaats opstap zoek ik Ilse. Zij is de enige in de hele school die ik, naast mijn broertje, al een beetje ken. Ze is een nichtje van Wim en was op zijn feestje. Toen haar moeke in het ziekenhuis lag, logeerde ze bij hem. Ze heeft toen enkele weken in mijn klas gezeten. We hebben samen stiekem van het zandbakzand geproefd. Erg lekker was dat niet. Het knarste vooral tussen onze tanden.
Maar ik vind haar niet. Toen we in de vakantie al eens in deze school kwamen kijken, was de speelplaats grijs en stil. Nu is ze een en al kleur en lawaaierig. Meer kinderen dan ik ooit bij elkaar heb gezien, springen er voortdurend in het rond. Zelf sta ik er maar wat beteuterd bij. Iets drukt zwaar op mijn borst.
Ik ben opgelucht als het belt. Meteen loop ik naar de plek die zuster Pancratia me in de vakantie heeft getoond. ‘Hier staat de rij van het eerste leerjaar,’ had ze gezegd.
Daar zie ik Ilse eindelijk. ‘Dag,’ zeg ik blij.
Ze lacht flauwtjes terug.
Al gauw is onze juffrouw er. Ze toont ons hoe we flink in twee rijen moeten staan.
‘Zo meteen gaan we naar de klas,’ legt ze uit, ‘daar mag je allemaal een plaats uitkiezen. Kom maar mee.’
Onze juffrouw gaat door de grote deur naast het bureau van zuster Pancratia naar binnen. Als hondjes lopen we achter haar aan. We volgen haar op de brede trap met de rode leuning. Van in de vakantie herinner ik me dat de klas vol banken voor twee staat. Nu al beslis ik dat ik naast Ilse wil zitten. Ik blijf dan ook dicht in haar buurt. Ilse zelf heeft meer oog voor een ander kindje.
In de klas wring ik me tussen Ilse en dat andere kindje op de bank naast Ilse. Het andere kindje zet zich dan maar op de bank voor ons neer. Ze heet Ann. Het meisje achter mij heet Nadia.‘Kindje,’ roept ze steeds als ze me iets wil zeggen.
Tijdens de speeltijd speel ik met haar en anderen waarvan ik de naam nog niet ken.
Onze juffrouw is een lieve. Ze vertelt veel en leert ons lezen. ‘an’ en ‘jan’ kan ik nu al lezen.
Fier ga ik om vier uur naar huis. Ik vertel ons moeke dat ik al veel vriendjes heb.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Abonneren op:
Posts (Atom)