De laatste avond
We hebben met H. en R. afgesproken om een nieuw restaurantje uit te proberen, maar eerst wippen Manlief en ik nog even bij meter binnen. De laatste weken komt ze haast niet meer haar bed uit. Ze heeft last van doorligwonden. Eet nog weinig. En ligt daar maar wat voor zich uit te staren. Hoewel er meestal toch even een glans in haar ogen verschijnt als we binnenkomen.
Vandaag gebeurt dat niet. Ze draait en keert op haar matras.
‘Ma… Ve.e…’, zegt ze. Er volgen een heleboel klanken waar ik niet wijs uit geraak. Ze wroet nog heviger.
Ik neem haar handen vast. ‘Rustig, meter.’ Streel haar voorhoofd. Ze heeft de huid op haar wangen en kin de voorbije dagen danig kapot gekrabd. ‘Wat scheelt er toch?’
Een vol brikje Fortimel staat op het tafeltje naast haar bed.
‘Moet je niet wat drinken?’ probeer ik.
Ze draait haar hoofd weg. ‘Ma… Ve.e…’
Net als ik begrijpt Manlief geen snars van wat ze ons wil duidelijk maken.
Ik loop even bij de verzorgsters langs. ‘Is er iets gebeurd misschien? Meter is zo onrustig.’
‘Nee,’ verzekeren ze me, ‘alles is normaal.’
‘Maar haar Fortimel staat er nog.’
‘Ja, ze eet de laatste dagen wat minder. Dat betert wel weer. Ook bij de andere oudjes zien we dat. Hun eetlust gaat op en af.’
Als ik weer op haar kamer kom, kraamt meter nog steeds de vreemdste klanken uit. ‘Ma…Ve.e.’ komt altijd opnieuw terug. Ook Manlief slaagt er niet in meter wat te kalmeren.
Met een slecht gevoel drukken we uiteindelijk een zoen op haar wang en rijden naar het restaurant.
Ik vertel H. en R. dat het niet goed gaat met meter. Ze luisteren. Proberen me gerust te stellen. Na even hebben we het ook over andere dingen. Ik geniet van de avond en het lekkers.
De volgende dag ben ik alleen thuis als de telefoon rinkelt. Het is tante A.
‘Ik heb slecht nieuws,’ zegt ze, ‘Het rusthuis heeft me net gebeld. Meter is gestorven.’
‘Ma…Ve.e... Ma…Ve.e...’ klinkt het telkens weer in mijn hoofd.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast
Als het leven wiebelt, bieden woorden een houvast.
Het leven wiebelt. Soms slingert het zacht heen en weer, zoals een kind op een schommel. Misschien geef je het dan, net als dat kind, vol vertrouwen een extra duwtje, en ga je almaar hoger. Maar het leven kan ook wankelen, een kant op waggelen die je helemaal niet uit wil. Of het kan danig schudden en schokken, zodat je grondvesten daveren.
Op al deze momenten zijn er woorden.
WiebelWoorden zoekt ze samen met je op.
Omdat woorden helpen herinneringen te bewaren en belevenissen te delen. Omdat woorden een houvast bieden. En omdat het bijzonder prettig is woorden aan papier toe te vertrouwen.
Op dit blog vind je vooral woorden terug die binnen in mij wiebelden. Die zich puzzelden tot een anekdote, verhaal of gedicht.
Wiebel tijdens het lezen gerust mee op hun ritme.
Posts tonen met het label bejaardentehuis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bejaardentehuis. Alle posts tonen
dinsdag 4 december 2012
maandag 3 december 2012
Vijfenveertig (38)
Geschenk
Minstens een keer per week probeer ik bij meter langs te gaan nu ze in een bejaardentehuis woont. Meestal rond etenstijd. Dan kan ik haar wat stimuleren om te eten, want uit zichzelf heeft ze daar niet meer zoveel zin in. Ik stop de stukken brood dan in haar mond, zeg dat ze goed moet kauwen en geef haar puddingske met een lepel, net zoals zij dat vele jaren geleden bij mij heeft gedaan. Ze groeit haast in haar rolstoel als ik zo met haar bezig ben, terwijl de andere oudjes aan haar tafel in hun eentje zitten te sukkelen.
Maar vandaag moest ik overwerken en ben ik wat later. Meter ligt alweer in bed.
‘Ja, Veerleke…’ zegt ze zodra ik haar kamer binnenstap, ‘Het is erg met onze koning, he?’
Ik druk een zoen op haar wang. ‘Wat is er dan met hem?’
‘Awel, hij is toch van een berg gevallen…’ Haar hese stem neuriet een deuntje dat op het requiem van Mozart lijkt, om dan plots de nationale hymne aan te slaan.
Ik kijk haar glimlachend aan. ‘Hoe gaat het ermee?’
‘Wat triest natuurlijk.’ Ze zingt nog enkele kinderliedjes en vertelt over toen ze op school zat. ‘Wat had ik graag gestudeerd, Veerleke, maar ik mocht niet van peter Louis, snit en naad moest ik doen. Maar met mijn slecht oog, dat was niks voor mij.’
Ik vraag of ze pijn heeft.
‘Valt mee vandaag,’ antwoordt ze, ‘En hoe gaat het met jullie?’
‘Goed!’ Ik praat over mijn werk, vertel dat Manlief het druk heeft, maar dat we leuke plannen hebben voor het weekend en dat ik daar naar uitkijk.
‘En is met A. en L. alles in orde?’ informeert ze.
‘Ik denk het wel,’ zeg ik, ‘Ik zie hen niet meer zo vaak.’
Een grote lach verschijnt op haar gezicht. ‘Ik ben echt eens benieuwd wie van jullie vieren het eerst zal trouwen.’
Later die avond vraagt Manlief hoe het met meter was.
‘Ze was verschrikkelijk verward,’ zeg ik, ‘erger dan ik ooit heb geweten. Ze begon over het ongeluk van koning Albert, en ze zong liedjes, en weet je wat ze ook vroeg? Wie van ons vieren het eerst zou trouwen…’
Ik word warm vanbinnen terwijl ik die laatste woorden uitspreek, want iets wordt me plots helder. Natuurlijk vind ik het jammer dat meter zich onze trouwpartij niet meer herinnert, en dat ze niet meer weet dat ze regelmatig bij ons op bezoek is geweest, maar haar nieuwsgierigheid naar wie van ons het eerst zal trouwen, bewijst dat ze Manlief volledig heeft aanvaard. Dat ze hem niet als een aangetrouwd stuk familie ziet, maar echt als een van haar kleinkinderen. Het ontroert me.
Dank je, meter, voor dit geschenk.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Minstens een keer per week probeer ik bij meter langs te gaan nu ze in een bejaardentehuis woont. Meestal rond etenstijd. Dan kan ik haar wat stimuleren om te eten, want uit zichzelf heeft ze daar niet meer zoveel zin in. Ik stop de stukken brood dan in haar mond, zeg dat ze goed moet kauwen en geef haar puddingske met een lepel, net zoals zij dat vele jaren geleden bij mij heeft gedaan. Ze groeit haast in haar rolstoel als ik zo met haar bezig ben, terwijl de andere oudjes aan haar tafel in hun eentje zitten te sukkelen.
Maar vandaag moest ik overwerken en ben ik wat later. Meter ligt alweer in bed.
‘Ja, Veerleke…’ zegt ze zodra ik haar kamer binnenstap, ‘Het is erg met onze koning, he?’
Ik druk een zoen op haar wang. ‘Wat is er dan met hem?’
‘Awel, hij is toch van een berg gevallen…’ Haar hese stem neuriet een deuntje dat op het requiem van Mozart lijkt, om dan plots de nationale hymne aan te slaan.
Ik kijk haar glimlachend aan. ‘Hoe gaat het ermee?’
‘Wat triest natuurlijk.’ Ze zingt nog enkele kinderliedjes en vertelt over toen ze op school zat. ‘Wat had ik graag gestudeerd, Veerleke, maar ik mocht niet van peter Louis, snit en naad moest ik doen. Maar met mijn slecht oog, dat was niks voor mij.’
Ik vraag of ze pijn heeft.
‘Valt mee vandaag,’ antwoordt ze, ‘En hoe gaat het met jullie?’
‘Goed!’ Ik praat over mijn werk, vertel dat Manlief het druk heeft, maar dat we leuke plannen hebben voor het weekend en dat ik daar naar uitkijk.
‘En is met A. en L. alles in orde?’ informeert ze.
‘Ik denk het wel,’ zeg ik, ‘Ik zie hen niet meer zo vaak.’
Een grote lach verschijnt op haar gezicht. ‘Ik ben echt eens benieuwd wie van jullie vieren het eerst zal trouwen.’
Later die avond vraagt Manlief hoe het met meter was.
‘Ze was verschrikkelijk verward,’ zeg ik, ‘erger dan ik ooit heb geweten. Ze begon over het ongeluk van koning Albert, en ze zong liedjes, en weet je wat ze ook vroeg? Wie van ons vieren het eerst zou trouwen…’
Ik word warm vanbinnen terwijl ik die laatste woorden uitspreek, want iets wordt me plots helder. Natuurlijk vind ik het jammer dat meter zich onze trouwpartij niet meer herinnert, en dat ze niet meer weet dat ze regelmatig bij ons op bezoek is geweest, maar haar nieuwsgierigheid naar wie van ons het eerst zal trouwen, bewijst dat ze Manlief volledig heeft aanvaard. Dat ze hem niet als een aangetrouwd stuk familie ziet, maar echt als een van haar kleinkinderen. Het ontroert me.
Dank je, meter, voor dit geschenk.
Meer over mijn vijfenveertigdagenproject lees je hier.
Abonneren op:
Posts (Atom)