Toen de tuin vanmorgen weer even wit zag, zweefden mijn gedachten naar dit moment:
Behoedzaam zette hij een poot op het sneeuwtapijt om hem vliegensvlug terug te trekken en rechtsomkeert te maken. Tot hij het, nadat ik de achterdeur nog verscheidene keren voor hem had geopend, eindelijk aandurfde de witte wereld in te stappen. Traag deed hij dat, poot per poot, voorzichtig, alsof een reusachtig monster vanonder de witte deken tevoorschijn zou kunnen springen om hem zomaar te verslinden.
Het enige echter dat in zijn buurt rondsprong, van tak naar tak in de hibiscus, was een roodborstje.
Pas toen hij dat in de gaten kreeg, vergat hij het gevaar en huppelde enthousiast naar het beestje toe en even later ook de wijde wereld in.
Toen het een dikke maand geleden even lente leek, ging hij opnieuw op pad. Trok hij opnieuw de wijde wereld in. Zonder angst nu.
We hebben hem niet meer teruggezien.